Zelfdoding voorkomen of zelfdoding helpen uitvoeren?

In de discussie over ‘voltooid leven’ is er vooralsnog geen ruimte voor de vraag wat de link is tussen het voorkómen van zelfdodingen (suïcidepreventie) en het faciliteren van zelfdodingen (suïcidepromotie).

Moeten ouderen hulp kunnen krijgen als zij dood willen omdat zij het idee hebben dat hun leven ‘voltooid’ is? Die vraag is eind vorig jaar weer actueel geworden dankzij de liberale ministers Schippers en Van der Steur en het Tweede Kamerlid Pia Dijkstra (D66). Zij hebben aangekondigd dat er wat hen betreft een wet moet komen, vergelijkbaar met de Euthanasiewet, die dit mogelijk moet maken. Dijkstra is er momenteel concreet eentje aan het uitwerken.

De meningen over de voorstellen zijn sterk verdeeld. Diverse beroepsverenigingen van zorgprofessionals – van psychologen, psychiaters en specialisten ouderengeneeskunde – zijn fel tegen, net zoals de ouderenbonden en politieke partijen als CDA, ChristenUnie en SP. Partijen als de NVVE en Humanistisch Verbond staan te juichen, net als politieke partijen als PvdA en GroenLinks.

Het kabinetsplan en het wetsontwerp roepen verschillende ingewikkelde praktische, ethische en filosofische vragen op. Wanneer is er sprake van ‘voltooid’ leven? Hebben we daar een bruikbare definitie van? Wat is de scheidslijn tussen een ‘voltooid’ en een eenzaam of onbevredigend leven? Kun je een leven ‘voltooid’ vinden terwijl je nog niet dood bent? In hoeverre gaan ouderen hun leven als minder waard ervaren, als een dergelijke regeling zou bestaan? Schept het aanbod van zo een regeling ook een vraag, en moeten we dat wel willen met z’n allen?

Een vraag die nog geen aandacht heeft gekregen is de vraag wat het verband is tussen – enerzijds – de wens om met een extra wettelijke regeling hulp bij zelfdoding bij ouderen toe te staan en – anderzijds – pogingen van het kabinet (en de maatschappij) om zelfdoding juist te voorkomen. Waar raken beide doelen elkaar? Botsen die doelen, of kunnen ze naast elkaar bestaan?

In 2014 stuurde minister Schippers – inderdaad, dezelfde – een Landelijke Agenda Suïcidepreventie naar de Tweede Kamer. In de Agenda staan tal van maatregelen die moeten bijdragen aan een vermindering van het aantal suïcides en suïcidepogingen. Aanleiding hiervoor was het stijgende aantal mensen dat zelfmoord pleegt, voornamelijk in de leeftijdscategorie 50-55 en 65-70 jaar.

Deze laatste leeftijdsgroep is nu extra relevant omdat het bij de plannen rondom ‘voltooid leven’ altijd uitsluitend over ‘ouderen’ gaat. Wat betekent dit voor zorgverleners die te maken krijgen met een suïcidale man of vrouw van 73 jaar? Moeten zij meegaan in de zelfmoordwens (kabinetsplan/wetsvoorstel ‘voltooid leven’) of moeten zij proberen te voorkomen dat deze persoon zelfmoord pleegt (kabinetsplan suïcidepreventie)? Het heeft weinig zin om dit aan de desbetreffende persoon te vragen.

Ook frappant is de uiteenlopende teneur in de discussies over beide onderwerpen. De discussie over ‘voltooid leven’ wordt positief geframed door het kabinet. Voor ouderen geldt dat zij die beslissing tot zelfdoding autonoom moeten kunnen nemen; het gaat om het ‘recht op zelfbeschikking’.

Rondom suïcidepreventie is de teneur juist negatief: er vinden teveel zelfdodingen plaats, en dat moeten we voorkomen. Waarom geldt hier dat (vermeende) recht op zelfbeschikking niet meer? Gunt het kabinet een 40-jarige met zelfmoordwensen minder autonomie dan een 80-jarige?

Het is op zijn minst opmerkelijk dat de ‘positief’ bedoelde voltooid leven-plannen nimmer gelinkt worden aan de ‘negatief’ ingestelde discussie over het teveel aan zelfdodingen. Het zou zinvol zijn voor het debat over ‘voltooid leven’ als niet alleen het kabinet, maar ook andere betrokkenen – van diverse politieke partijen tot organisaties als de NVVE en 113 online – zouden aangeven hoe beide beleidsterreinen zich volgens hen tot elkaar verhouden.

Een reactie plaatsen