Hoe vaak ging jij al bijna dood?

Hoe vaak ging jij al bijna dood?

Hoe vaak ging jij al bijna dood? Ik kom op vijf keer uit. Maar van hoeveel keer wéét je het niet, dat je aan de dood ontsnapt bent?

Die vragen werden opgeroepen door het recent verschenen boek ‘Ik ben. Ik ben. Ik ben. Zeventien keer rakelings langs de dood’ van bestseller auteur Maggie O’Farrell. Ze beschrijft daarin, op prachtige wijze, hoe ze gedurende haar leven zeventien letterlijke bijna-doodervaringen had: hoe ze bijna een keer stikte, hoe ze bijna het leven liet rondom een bevalling, hoe ze bijna verdronk door uitputting, et cetera. Het zijn stuk voor stuk beklemmend geschreven verhalen, die je voortdurend voortjagen naar de volgende zin, de volgende alinea en de volgende bladzijde.

Ik heb niet de illusie dat ik over ‘mijn vijf keer’ mooiere verhalen kan schrijven dan O’Farrell, dus ik waag me er niet aan. Ik kan in plaats daarvan wel kort wat opsommen: ik was een keer net een winkel uit toen er een gewapende overval werd gepleegd (met twee doden tot gevolg), ik kreeg eens een pistool tegen mijn hoofd op zo’n traditioneel-gezellige Koninginnedag in Amsterdam (de pistooleigenaar wilde sigaretten, mijn toenmalige vriendin had er gelukkig een paar), ik verdronk een keer net niet in sterk onderschatte golven van de Atlantische Oceaan, ik besloot een keer niet in te gaan op de uitnodiging om een vluchtje te maken met de Dakota die daags erna zou neerstorten bij Texel en ik ging eens bijna dood op de afdeling Intensive Care na een longontsteking en bloedvergiftiging.

Maar hoeveel keer ging ik bijna dood zonder dat ik me daarvan bewust ben geweest? Het is een vraag waarop je onmogelijk antwoord kunt geven. Hoogstens ‘Dat zal vast wel een paar keer zijn’, of zoiets.

Want het risico om in het alledaagse leven ‘zomaar’ dood te gaan is best groot. Ik sta er bij voorbeeld nog regelmatig van te kijken dat er, relatief, zo weinig dodelijke verkeersongelukken voorkomen. De miljoenen auto’s in Nederland rijden op de provinciale wegen, op jaarbasis bekeken, miljarden keren op grote snelheid vlak langs elkaar heen. Een vermoeidheid, een concentratieprobleem of een kleine onachtzaamheid – al dan niet veroorzaakt door een tijdelijke focus op de smartphone – kan zomaar tot een stuurfout leiden. Het is een wonder dat het zo vaak goed gaat.

Misschien zijn er mensen die van dit gegeven angstig of depressief worden. Dat zou niet raar zijn. Ik word er gelukkig vooral dankbaar voor. Dankbaar voor het leven. Dankbaar dat ik, in goede gezondheid, het einde van een dag haal, het einde van de week, het einde van een maand, van een jaar, een decennium.

In de media bestaat er een sterke focus op het gecontroleerde sterven. Steeds meer mensen ‘willen het’, misschien niet nu onmiddellijk, maar wel ergens in de toekomst. Het vraagt eigenlijk om een enorme compensatie in aandacht, zowel in het dagelijkse leven als in de media, die zich dan vooral richt op het ongecontroleerde leven.

We lijken bijna te vergeten hoe ongewoon het is om überhaupt in leven te zijn. Alleen al het feit dat ik besta, omdat ik afkomstig ben uit de genen van twee ouders, die ieder ook weer afkomstig zijn uit twee ouders, die ieder ook weer afkomstig zijn uit twee ouders, et cetera: dat is zo’n ongelooflijk toeval. Bij een gemiddelde bevruchting zijn 100 tot 200 miljoen zaadcellen actief. De kans dat ik niet zou bestaan is, rekening houdend met al die generaties voor mij, rond de 99,99999%. Tel daarbij het ongelooflijke toeval op dat er überhaupt zoiets als Aarde bestaat. Met mensen erop.

In vergelijking daarmee zijn al die ‘alledaagse’ bijna-doodervaringen bijna saai.

Een reactie plaatsen