Eindelijk innovatie in de uitvaartbranche?

D66-Kamerlid Monica den Boer heeft vorige week revolutionaire voorstellen gedaan om de Wet op de Lijkbezorging aan te passen.

In de karige media-aandacht die de voorstellen kregen, ging het vooral over haar wensen ten aanzien van de as van de crematie: deze zou bijna onmiddellijk na de crematiedienst meegenomen moeten kunnen worden door de nabestaanden (in plaats van de regel van nu: 30 dagen wachten). Bovendien moet het makkelijker worden om tegemoet te komen aan de wens van nabestaanden om de as van twee verschillende mensen met elkaar te vermengen, vindt Den Boer. Ook een paar van haar wensen over begraven kregen aandacht in de media: twee mensen in één graf moet kunnen, en de regels rondom ‘snel begraven’, zoals de wens in de islamitische en joodse cultuur luidt, moet de overheid vereenvoudigen.

Een aantal andere wensen van haar, zoals Den Boer ze omschreef in de initiatiefnota ‘Naar een moderne Uitvaartwet’, kregen minder aandacht, zoals:
– Verleng de termijn waarbinnen de uitvaart moet plaatsvinden, van zes naar acht werkdagen
– Geef mensen meer keuze bij het verlengen van grafrechten
– Definieer “biologisch afbreekbare” kist duidelijker en strenger
– Gebruik niet het woord “lijk” op gemeenteformulieren
– Onderzoek de introductie van toezicht op de uitvaartbranche

Vooral die laatste twee vond ik verrassend.

Het woord ‘lijk’ vindt Den Boer verkeerd. “Uit de ervaring van gemeenten blijkt dat deze term als onnodig confronterend en soms zelfs als kwetsend wordt ervaren door nabestaanden”, schrijft ze in een toelichting. “Deze formulieren voor de verloven moeten daarom gewijzigd worden, zodat deze minder emotioneel belastend zijn.” Den Boer stelt voor het woord ‘lijk’ te veranderen door ‘lichaam van de overledene’.

Ik heb persoonlijk niets tegen het woord lijk, dus voor mij hoeft zoiets niet. Mocht de Tweede Kamer deze wijziging accepteren, dan is het waarschijnlijk wachten op een initiatief waarbij ‘overledene’ weer vervangen moet worden door ‘dierbare’, omdat er ook mensen zijn die ‘overledene’ zo’n onpersoonlijk en hard woord vinden.

De voorgestelde wijziging past in een cultuur waarin we ook woorden als dode, dood of sterven zoveel mogelijk mijden. We lijken alles het liefst zo omfloerst en zacht mogelijk te willen omschrijven. Ik zou liever een omgekeerde beweging willen zien; dat we wat vaker de beestjes bij de naam gaan noemen en op die manier aan die ‘harde’ woorden wennen.

Bijzonder boeiend is het door Den Boer genoemde onderzoek naar de introductie van enig toezicht op de uitvaartbranche. Ze heeft daarbij vooral begraafplaatsen op het oog (t.a.v. ruimingen en de diepte van het begraven in relatie tot de grondwaterstand). Ook noemt ze situaties waarin de as van de overledene onnauwkeurig uit de crematieoven wordt gehaald. Meer toezicht zou dit kunnen voorkomen.

Als je een maatschappelijke discussie loslaat op de combinatie ‘toezicht’ en ‘uitvaartbranche’, dan denk ik niet dat de maatschappij op dergelijke thema’s zou uitkomen. Ik vermoed dat men vooral de vaak ondoorzichtige prijzen van uitvaarten zal noemen, en de daaraan verbonden commissies. Of de ‘macht’ van de grote uitvaartverzekeraars. Of de grote verschillen tussen gemeentelijke begraafplaatsen.

Het is natuurlijk even afwachten hoe de Tweede Kamer op de initiatiefnota reageert. De kans is echter aanwezig dat de leden zich over de diverse voorstellen gaan uitspreken, en ook zelf gaan nadenken over dat toezicht.

De komende jaren kunnen dan zomaar de meest innovatieve jaren van de uitvaartbranche worden sinds vele decennia.

Een begraafplaats is ook een plek van liefde

Het is mij nooit ontgaan dat begraafplaatsen de locaties bij uitstek zijn in onze samenleving waar wij onze doden begraven en herdenken. Vanwege dat begraven en herdenken komen nabestaanden van die doden daar weleens op bezoek. Maar daarmee is alle levendigheid op een begraafplaats – als je de flora en fauna even links laat liggen – wel zo ongeveer samengevat.

En dat vind ik jammer.

Begraafplaatsen hebben een wezenlijke functie in het land. Onze (voor)ouders liggen er, waardoor ze een sterke familiaire waarde hebben. Begraafplaatsen zijn onderdeel van ons culturele erfgoed. En ze zijn voor velen het ultieme symbool van de eindigheid van het leven, en daarmee een spiegelend symbool voor bezinning.

Het zal niemand in de uitvaartbranche ontgaan zijn, dat de begraafplaatsen in Nederland in zwaar weer verkeren. Sinds 2003 kiezen meer Nederlanders voor cremeren dan voor begraven. Inmiddels is dat percentage al gestegen tot boven de zestig procent. Een deel van de asbussen komt weliswaar nog op een begraafplaats terecht, maar in grote lijnen kun je stellen dat begraafplaatsen sinds begin deze eeuw een steeds grotere verliespost zijn gaan worden voor de eigenaren en beheerders: gemeenten en particuliere bezitters (veelal aan een kerk gelieerde stichtingen).

Hoe valt dit tij te keren? Hoe kan de begraafplaats ‘populairder’ worden? Hoe kan het percentage ‘begraven’ weer stijgen? Het zijn vragen waarover men zich in kringen van begraafplaatsbeheerders behoorlijk diepgaand buigt.

Ik kan niet in de toekomst kijken, dus ik kan geen garanties geven, maar wat volgens mij wel kan helpen is een toename van de levendigheid op de begraafplaatsen. Ik zou willen dat begraafplaatsbeheerders de samenleving wat meer naar zich toe halen. Een enkele begraafplaats (in Den Haag en Utrecht bijvoorbeeld) is daar al heel goed in; zij transformeren zichzelf al van een passieve begraafplaats naar een actieve begraafplaats.

Naast de al wat clichématige Lichtjesavond (al dan niet rond Allerzielen), kunnen begraafplaatsen ook concerten, lezingen, rondleidingen, speurtochten, exposities, picknicks, ondernemersontbijten of filmavonden organiseren. Het liefst in samenwerking met lokale organisaties, variërend van natuurverenigingen en lagere/middelbare scholen tot yogadocenten of muziekscholen.

Ook zou ik graag willen zien dat begraafplaatsen accentueren dat zij ‘plekken van liefde’ zijn. Nergens in de samenleving wordt zo expliciet stilgestaan bij de liefdevolle betekenis die mensen voor elkaar hebben (gehad). Lees maar eens wat teksten op een grafsteen. Waarom doen begraafplaatsen niets met Vader- of Moederdag? Of met de Nationale Broer- en Zus-dag? Dat zijn bij uitstek de dagen waarop mensen stilstaan bij de liefde voor hun vader, moeder, broer of zus.

Tegelijkertijd zijn begraafplaatsen ook bij de meest enge plekken van een dorp of stad. Ook dat gegeven zou ik exploiteren, als ik begraafplaatsbeheerder zou zijn. Rondom Halloween bijvoorbeeld. Of door thema-avonden in de aula van de begraafplaats te houden over de angst voor de dood, en hoe daarmee om te gaan.

Er bestaat bij begraafplaatsbeheerders veel schroom om op deze wijze extra levendigheid te creëren. Misschien moeten zij zichzelf eens in de spiegel bekijken, en zich afvragen of zij nog wel de juiste persoon zijn om in deze tijd een begraafplaats te beheren.

Het voorgesprek van de uitvaartverzorger

Iedere uitvaartondernemer biedt consumenten de mogelijkheid aan een voorgesprek te voeren. ‘Kosteloos en vrijblijvend’ uiteraard.

Ik ben er een keer bij geweest, bij zo’n voorgesprek. Samen met een vriend die op korte termijn zou komen te overlijden. Het stelde niet veel voor. De uitvaartondernemer besprak wat mogelijkheden voor de kist en de locatie van de uitvaartdienst, veel meer was het niet. We kregen een catalogus mee en dat was het dan.

Er zullen uitvaartondernemers zijn die er iets meer werk van maken. Zij spreken de uitvaartdienst bij voorbeeld wat gedetailleerder door, en leggen ook de mogelijkheden van rouwkaart, catering, rouwvervoer en/of muziekvoorkeuren voor. Zij investeren mogelijk ook wat meer in klantenbinding, door aan te bieden de wensen alvast vast te leggen. Want laten we wel wezen: zo’n voorgesprek kost tijd en energie, het is uiteraard het meest mooi als daar te zijner tijd een opdracht voor het regelen van een uitvaart uit voortvloeit.

Uitvaartondernemers doen er goed aan wat meer met die voorgesprekken de boer op te gaan. Niet zozeer om die potentiële klantenbinding te benutten, maar om zichzelf te positioneren als een beroepsgroep die weet hoe belangrijk het is om tijdig stil te staan bij het levenseinde. Het bespreken en vervolgens vastleggen van uitvaartwensen geeft mensen vaak rust. Rust voor zichzelf (‘Zo, dat is geregeld.’), maar ook richting naasten, die hierdoor weten welke keuzes zij moeten maken zodra hun dierbare is overleden.

Maar het praten over je levenseinde heeft nog veel meer voordelen, ook los van dit regelwerk. Zeker als dat plaatsvindt tussen partners, gezinsleden, familieleden of vriend(inn)en onderling. Om er maar een paar te noemen: het zorgt voor verbinding tussen jou en je dierbaren, omdat praten over de dood intiem en persoonlijk is. Het leven krijgt er meer betekenis door, omdat het bewust bezig zijn met je sterfelijkheid ervoor zorgt dat je eerder de dingen doet die je leuk vindt. Bewust zijn van je sterfelijkheid vergroot ook je relativeringsvermogen (het helpt je over kleine ergernissen heen te stappen bij voorbeeld) én kan ervoor zorgen dat je gezonder leeft (beter uitkijken in het verkeer, meer groente en fruit eten, meer bewegen)

Hoe geweldig vinden consumenten de uitvaartondernemer die hen díe voordelen geeft?

Detail: die voordelen worden pas bereikt als ‘het voorgesprek’ een wat bredere invulling krijgt dan nu meestal gebruikelijk is. Praten over de dood veronderstelt veel meer dan het doornemen van wat mogelijkheden van een uitvaartdienst. Het kan zijn dat het gesprek over eerdere verlieservaringen gaat, over angsten (voor het sterven, voor het dood zijn, voor lijden), over laatste wensen, over de gewenste plek van sterven, over afscheid nemen, et cetera.

Natuurlijk, ik weet: uitvaartondernemers zijn doorgaans géén maatschappelijk werker, geestelijk verzorger of psycholoog en zijn misschien niet gewend deze gesprekken aan te gaan. Maar kom, het is geen rocket science. Wie in eigen gezin of familiekring hiermee oefent, kan het vervolgens met iedereen.