25 jaar palliatieve zorg: is er iets wezenlijks veranderd?

Is er in 25 jaar tijd eigenlijk iets wezenlijks veranderd op gebied van palliatieve zorgverlening?

Ik vroeg het me deze week af, omdat ik aan het nadenken was over het jaar 2021. Dan schrijf ik 25 jaar over palliatieve zorg. Op welke wijze ga ik daarbij stilstaan?

Mijn eerste idee was om een reeks thema’s te benoemen, en dan de veranderingen te beschrijven over de afgelopen 25 jaar. Met eventueel daaraan toegevoegd een blik op de nabije toekomst. Want ‘iedereen’ in de palliatieve zorgverlening – van de individuele zorgverlener tot de high brow bobo-partijen – zet zich in voor verbeteringen van die palliatieve zorg. Dat hoor ik al 25 jaar. Dat moet dan toch eenvoudig te zien zijn?

Consultatieteams

Maar over welke reeks thema’s zou ik dan moeten schrijven? Ik sloeg wat aan het mijmeren en dacht allereerst aan de consultatieteams palliatieve zorg. Bij aanvang van die eerste teams, zo midden jaren 90, viel al snel de constatering te beluisteren dat ze te laat door te weinig mensen gebeld werden. Dat is anno nu nog steeds zo. Dat is dus niet zo’n spannend verhaal.

Het thema onderzoek dan. Er wordt sinds midden jaren 90 enorm veel onderzoek gedaan naar de palliatieve zorgpraktijk. Daar gaan echt vele miljoenen per jaar naar toe, al 25 jaar lang. Dat gebeurt allemaal met het doel om die praktijk te verbeteren. Er is echter nog geen onderzoek geweest dat heeft aangetoond dat dat gelukt is. Wat wel duidelijk is, is dat implementatie van de onderzoeksresultaten ingewikkeld is. Dat was vroeger zo en dat is nu nog steeds zo. Dat is dus niet zo’n spannend verhaal.

Het thema vrijwilligers in de palliatieve zorg dan. Ze werken bij mensen thuis en ze werken in hospices. Hun werk bij mensen thuis was in het midden van de jaren 90 behoorlijk onzichtbaar. Het grootste probleem, vonden de vrijwilligers zelf, is dat ze te laat en te weinig ingeschakeld worden. Ook dat probleem is de afgelopen 25 jaar niet minder geworden. Vrijwilligerswerk in de hospices is daarentegen enorm gefloreerd, al is dat vooral in kwantitatieve zin, want de inhoud ervan – vrijwilligers die de (mantel)zorg ondersteunen, in de tuin werken of creatief in de keuken in de weer zijn – is niet veranderd. Ook alweer niet zo’n spannend verhaal.

Hospices

De hospices zelf dan. Enorme booming business natuurlijk in de afgelopen 25 jaar. Van een handvol hospices gingen we naar ruim tweehonderd. Er waren destijds in de jaren 90 twee smaken: ze werden wat onhandig high-care en low-care hospices genoemd, tegenwoordig zou je bijna-thuis-huizen en bijna-verpleeghuizen kunnen zeggen. Er is sindsdien een derde smaak bijgekomen: de palliatieve units in verpleeghuizen. De drie vormen leven keurig naast elkaar. Ze vallen nog steeds niet onder één noemer. Voelt u ‘m al aankomen? Niet zo’n spannend verhaal.

Het onderwijs op gebied van palliatieve zorg dan. Palliatieve zorg was vroeger niet bepaald geïntegreerd in de opleidingen van verpleegkundigen, verzorgenden en ‘de witte kaste’ en dat is in feite nog steeds zo, ondanks het harde werk van een aantal Hogescholen dat minoren palliatieve zorg aanbiedt. Met alle respect voor die Hogescholen… Op het totale plaatje zet dat nog niet veel zoden aan de dijk. Ook dus niet zo’n spannend verhaal. Laten we hopen dat dat over 25 jaar wél anders is.

Netwerken

De Netwerken Palliatieve Zorg dan, bij uitstek de organisatorische eenheden in de palliatieve wereld waarin daadwerkelijk werk wordt verricht. In de jaren 90 werd expliciet gesteld dat die Netwerken een middel waren om een doel – samenwerking tussen zorgorganisaties en het garanderen van beschikbare palliatieve zorg in een bepaalde regio – te bereiken, maar inmiddels lijken ze een doel op zich. Of is er al een Netwerk dat zichzelf aan het afbouwen is? Dát zou pas nieuws zijn. Maar nee. Het gaat daarin om overleg. Om samenwerking. Om nog een overleg. Om een vergadering hier of daar. Om een activiteit hier en daar. Daarin is in 25 jaar tijd ook niet veel veranderd. Wéér geen spannend verhaal.

De bekendheid van palliatieve zorg dan? In de jaren 90 van de vorige eeuw dacht iedereen bij palliatieve zorg vooral aan terminale zorg. Dat is nog steeds zo. In die begintijd associeerde men palliatieve zorg vooral met uitbehandelde kankerpatiënten. Misschien dat daar een kleine uitbreiding te benoemen is, richting patiënten met long- en hartfalen. Andere doelgroepen echter – mensen met dementie, mensen met nierfalen, mensen met Niet-Aangeboren Hersenletsel – vallen nog even ver buiten de boot. Sorry, ook hierover valt dus geen spannend verhaal te maken.

Zingeving

Ik liet in gedachten nog wat andere thema’s de revue passeren – vroegtijdige zorgplanning, de locatie van sterven, kwaliteit van de symptoombestrijding, het gebruik van meetinstrumenten, de integratie van zorg voor de zorgenden, de kwaliteit van de publieksvoorlichting – en zag ook in die thema’s geen wezenlijke verschillen met ‘vroeger’. Het enige verschil dat ik wél zie is dat er meer mensen met palliatieve zorgverlening in de weer zijn. Maar dat verschil is niet per se een verbetering van de zorg, en dáár was ik naar op zoek.

Was de voorbije 25 jaar dan allemaal voor niets, hoor ik u wat gedeprimeerd en fatalistisch denken? Nee, zeker niet. Tienduizenden mensen hebben zich de voorbije jaren met hart en ziel uitstekend weten te vermaken in die palliatieve industrie. Het werken beantwoordt aan hun persoonlijke behoefte aan zingeving en inkomen. Dat geldt ook voor mij. Dat is toch ook wat waard? Maar of dat dan een spannend verhaal is? Ik twijfel nog. En houd me aanbevolen voor ideeën om stil te staan bij 25 jaar palliatieve zorg in Nederland. Over wat er in die tijd wezenlijk veranderd is.

— einde blog 25 jaar palliatieve zorg: is er iets wezenlijks veranderd? 

N.B. – Donatiemogelijkheid

Als journalist schrijf ik over palliatieve zorg, hospicezorg en uitvaartzorg voor diverse opdrachtgevers. Maar soms zijn er ook verhalen die het verdienen geschreven te worden zonder dat daar een opdrachtgever voor te vinden is. Die publiceer ik gratis op deze website of op de website palliatievezorg.nl. Mocht je dat waarderen, of mocht je onafhankelijke journalistiek in de palliatieve zorg sowieso waarderen, overweeg dan een donatie. Je kunt zelf een bedrag invullen. Alvast dank.

Doneer € -

Stichting STEM en het verlies van haar fatsoen

Met Mariska Overman schreef ik een artikel over de sterfstijlen van de Stichting STEM, en dan met name over de vraag hoe het brein omgaat met het classificeren van mensen in hokjes. Kort gezegd komt het erop neer dat de sterfstijlen de afstand tussen zorgverleners en patiënten bevordert, het denken in stereotypen stimuleert en het selectief waarnemen van patiëntkenmerken aanwakkert.

Dat artikel wordt in de komende uitgave van het vakblad Pallium gepubliceerd. Dat nummer verschijnt volgende week. Ik zou het niet geloofd hebben, als iemand mij vooraf had voorgehouden welke gevolgen die publicatie zou krijgen.

Stel dat iemand tegen mij zou hebben gezegd:

  • Je wilt een discussie op gang brengen over de zin en onzin van sterfstijlen, maar die discussie zal niemand met jou aangaan. Want iedereen interpreteert het artikel als een aanval op de Stichting STEM, een aanval op de trainingen van de Stichting STEM of als een aanval op de mensen die STEM-trainingen geven in plaats van wat het is: een kritische noot over de sterfstijlen;
  • Je nodigt als hoofdredacteur van Pallium zowel directie en trainers als leden van de Raad van Toezicht van de Stichting STEM herhaaldelijk uit om te reageren op het artikel in Pallium (zodat Pallium die reactie samen met het artikel kan plaatsen), maar dat doe je tevergeefs, want ook de mensen van Stichting STEM hebben blijkbaar geen behoefte aan een inhoudelijke discussie over de zin en onzin van sterfstijlen;
  • De directie van Stichting STEM gaat – zonder toestemming van de redactie van Pallium of de betrokken auteurs – jouw artikel delen met een aantal bevriende docenten, hoogleraren, geestelijk verzorgers e.d. De directie zet hen voor het blok met het verzoek ‘op eigen titel’ te reageren op jullie artikel in Pallium;
  • De directie van Stichting STEM schrijft achter jouw rug om (oud-)redacteuren van Pallium aan, in de hoop dat zij het artikel kunnen tegenhouden;
  • De directie van Stichting STEM houdt redacteuren van Pallium persoonlijk verantwoordelijk voor de publicatie, waardoor ze laat merken niets te snappen van het recht op vrije meningsuiting en/of de verhouding tussen de redactie enerzijds en inhoud van gepubliceerde teksten anderzijds;
  • De directie van Stichting STEM gaat richting (oud-)redacteuren over tot emotionele chantage, door expliciet het signaal te geven dat de Stichting niet meer kan samenwerken of aan één tafel kan zitten met mensen die onderdeel zijn van de Pallium-redactie;
  • In de mails en uitingen van de directie van de Stichting STEM (en/of de trainers en leden van de Raad van Toezicht) richting collega-redacteuren (en wie weet hoeveel anderen) zullen jou woorden in de mond worden gelegd die je nooit hebt geuit;
  • Je zult merken dat bepaalde mensen – netwerkcoördinatoren, docenten, bestuursleden en anderen uit ‘het palliatieve wereldje’ – zich zonder toelichting anders gaan gedragen ten opzichte van jou. Zij stappen vol enthousiasme in een klassieke valkuil, en vergissen zich in het verschil tussen ‘de boodschap’ en ‘de boodschapper’;
  • Jouw motief om over de sterfstijlen te schrijven – betrokkenheid bij de kwaliteit van de verleende palliatieve zorg – wordt ter discussie gesteld. Het zal jou alleen gaan om macht, geld, jaloezie en dergelijke, wordt er gezegd. Een lid van de Raad van Toezicht van Stichting STEM zal het zo formuleren in een mail: ‘Hij heeft een dubbele agenda als journalist en als ondernemer in de palliatieve branche. Jaloezie en kinnesinne is zijn drijfveer’;
  • De uitnodiging aan de directie en trainers van de Stichting STEM om over de zin en onzin van sterfstijlen een discussie te voeren tijdens een sessie op het Nationaal Congres over Palliatieve Zorg (gepland voor november dit jaar) wordt afgewezen. Een discussie wordt door één van hen getypeerd als ‘niet in het belang of ondersteunend’ voor de zorgverlener in de palliatieve zorg;
  • Hoewel jij in het artikel niet op de persoon speelt, gaan directie en trainers van Stichting STEM daar wel toe over. Ze noemen jou ‘het opperhoofd van Pallium’ en één van hen – die zich op haar website als coach en begeleider van mensen met kanker presenteert – constateert in een mail: ‘Voor mij krijgt deze man steeds meer het gezicht van een patiënt’. De directie van STEM reageert daar blijmoedig op met ‘Lekker bezig (naam)’ en voegt daar een smiley en ‘kusjes uit Utrecht’ aan toe;

Stel dat iemand me had gezegd dat dit allemaal zou gebeuren. Dan zou ik dat niet hebben geloofd. Toch is dat alles precies wat er gebeurde. Wie het niet gelooft, wil ik gerust de bewijsstukken laten zien.

Gif

De gedragingen van de STEM-betrokkenen acht ik verbijsterend, onvolwassen en onbegrijpelijk. De vraag naar het grote waarom hiervan eindigt met de constatering dat we blijkbaar aan iemands verdienmodel dreigen te komen met onze kritische houding ten opzichte van de sterfstijlen. Anders valt dit gif van STEM niet te verklaren.

Uiteraard heb ik inmiddels al enorme spijt van al het schrijfwerk over de sterfstijlen. Het heeft de palliatieve wereld (of mij) vooralsnog niets goeds of positiefs opgeleverd. De teller bij Mariska en mij staat op verlies: verlies van contacten, verlies van energie, verlies van tijd en verlies van (potentiële) opdrachten.

Werkhouding

Wat voor een journalist een logische werkhouding is – wees kritisch, stel vragen, maak onderscheid tussen zin en onzin – lijkt ogenschijnlijk niet aan de palliatieve wereld besteed. Enerzijds voel ik me gezegend met mijn rol: de rol van de onafhankelijke, kritische geest, die met een onovertroffen kennis van de gehele palliatieve zorgwereld, zijn mening kan geven via vakbladen, websites en social media. Anderzijds is het een dof en eenzaam lot, omdat nagenoeg niemand inhoudelijke discussies wil aangaan en een ieder zich het liefst niet verroert, wellicht uit angst iemand voor het hoofd te stoten.

Wat nu rondom de sterfstijlen gebeurt, is voor mij helaas niet nieuw. Ik zag dit afgelopen jaren ook gebeuren bij artikelen over Palliantie en ZonMw, de rol van het IKNL bij de vorming van PZNL, de wenselijkheid van degelijke patiëntenvoorlichting (al dan niet inclusief een landelijke palliatieve helpdesk), de gênant-geringe bemoeienis van KWF Kankerbestrijding en Hartstichting bij palliatieve zorg of de maatschappelijke onzichtbaarheid van ons dozijn hoogleraren palliatieve zorg.

Het is dat ik een optimistisch mens ben, anders was ik er al lang mee opgehouden.

— einde blog Stichting STEM en het verlies van haar fatsoen

N.B. – Donatiemogelijkheid

Als journalist schrijf ik over palliatieve zorg, hospicezorg en uitvaartzorg voor diverse opdrachtgevers. Maar soms zijn er ook verhalen die het verdienen geschreven te worden zonder dat daar een opdrachtgever voor te vinden is. Die publiceer ik gratis op deze website of op de website palliatievezorg.nl. Mocht je dat waarderen, of mocht je onafhankelijke journalistiek in de palliatieve zorg sowieso waarderen, overweeg dan een donatie. Je kunt zelf een bedrag invullen. Alvast dank.

Doneer € -

Palliatieve zorg en het coronavirus

Als mensen in vervolg op een besmetting met het coronavirus zeer ernstig ziek worden, is een verblijf op de afdeling intensive care onvermijdelijk. Palliatieve zorg voor mensen die aan het coronavirus overlijden, speelt zich dan ook hoofdzakelijk af op de afdeling intensive care.

Palliatieve zorgverlening is overwegend een lang traject (dat weken, maanden tot zelfs jaren kan duren, zoals bij mensen met kanker en dementie), maar na een besmetting van het coronavirus die uitmondt in ernstige klachten, is het eerder een kwestie van dagen of weken. In Nederland zijn tot nu toe (ochtend van 20 maart) zestig mensen overleden, overwegend 70-plussers. Een kwart van hen overleed op een afdeling intensive care van een ziekenhuis.

Lang niet iedere besmetting met het coronavirus leidt tot zeer ernstige klachten. Op basis van ervaringen in China, was nog tot midden maart de gedachte dat 5% van de besmetten eraan sterft (14% krijgt ernstige klachten, bij 81% is het ziekteverloop mild).  De verschillen in leeftijdsgroepen zijn hierbij overigens erg groot (zie bijgaande grafiek van de VRT). Meest recente cijfers (20 maart) spreken over een sterfterisico van 1,4%. Ook voor ouderen (80 jaar en ouder) is het sterfterisico aangepast. Geen ‘bijna 15%’ maar 6 procent.

De sterfte wordt veroorzaakt doordat het coronavirus de longen aantast. Het lichaam reageert met een ontsteking. Daardoor kan vocht in de longen lekken. Als dat gebeurt, wordt het voor het lichaam moeilijker om zuurstof te transporteren naar andere organen in het lichaam, zoals het hart. Dat kan tot de dood leiden. Dit proces kan zich binnen een paar dagen tot maximaal twee à drie weken afspelen.

Artsen op een afdeling intensive care behandelen patiënten met een coronabesmetting grotendeels hetzelfde als patiënten die met een andere longontsteking worden opgenomen. Palliatieve zorgverlening voor hen komt in feite neer op levenseindezorg. Bij die zorg in een IC-omgeving draait het om een aantal belangrijke thema’s. Ik noem er vier:

Lichamelijke zorg

Meest belangrijk hierbij is de symptoombestrijding- of verlichting. Het gaat hierbij vooral om de bestrijding en/of verlichting van symptomen als pijn, benauwdheid, overmatige slijmvorming, onrust, angst en misselijkheid/braken. Farmacologische en non-farmacologische interventies (houdingsaspecten bij voorbeeld, of massage) kunnen daarbij ingezet worden. Ook relevant zijn de afspraken over wisselligging, wassen, haarverzorging en mondzorg.
Als duidelijk is dat iemand op korte termijn komt te overlijden, zijn tal van onderzoeken en procedures uiteraard niet meer van belang voor de patiënt, zoals de registratie van vitale functies, bloedafname of wegen. ECG-plakkers, saturatiemeters en bloeddrukbanden kunnen verwijderd worden. Dat geldt (soms ten dele) ook voor tubes, lijnen en drains. Vasopressoren, pacemakers, arteriële lijnen en andere behandelingen die geen positieve invloed op het comfort van de patiënt hebben kunnen ook uitgezet worden. Voor medicatietoediening is alleen een intraveneuze toegang noodzakelijk. De monitor bij het bed van de patiënt kan uit.

Begeleiding

Aanwezig zijn bij de patiënt, comfort en een luisterend oor bieden zijn op dit gebied de belangrijkste taken van IC-personeelsleden. Ook kan het personeel haar best doen de patiënt en de naasten te helpen zich voor te bereiden op het naderende afscheid, al zal dat niet eenvoudig zijn gezien de snelheid waarmee de ontwikkelingen rondom besmetting en overlijden gepaard gaan. Extra complicerende factor in het afscheid nemen is het besmettingsgevaar: hoe nabij kan of durft een naaste te zijn? Artsen en verpleegkundigen dragen beschermende kleding, maskers en spatbrillen. Diverse afdelingen hanteren speciale bezoekregelingen. Doorgaans mag er slechts één persoon naast het bed zitten.
Mede vanwege het feit dat patiënten compleet overrompeld zijn door de situatie waarin ze zich bevinden, zijn zij hun gevoel van controle en waardigheid behoorlijk kwijt. In het geval patiënten deels bij bewustzijn zijn, zal daarmee continu rekening moeten worden gehouden (door niet ‘over het bed heen te praten’ bij voorbeeld).
‘Begeleiding’ omvat niet alleen een psychologisch aandeel. Even belangrijk als een luisterend oor zijn, of afleiding bieden, zijn spirituele componenten van zorg, zoals aandacht voor zingevingsvragen in de gespreksvoering met patiënt en naasten en/of de ondersteuning van rituelen bij het afscheid nemen.

Zorg voor naasten

De begeleiding richt zich ook op de naasten van de patiënt. Eén van de belangrijkste aspecten daarbij is de informatievoorziening. Naasten zijn vaak zo onder de indruk van alle apparaten en de gehele situatie, dat ze vergeten wat er daadwerkelijk met de patiënt in bed gebeurt. Informatie geven over de actuele situatie moet soms regelmatig herhaald worden, omdat niet alles onmiddellijk doordringt. Relevant hulpmiddel hierbij kan deze checklist zijn, uit de Richtlijn End-of-life care bij IC-patiënten.

Naasten willen veelal weten wat er met/bij de patiënt kan gebeuren zodra een behandeling wordt gestaakt of de beademing wordt afgekoppeld. Sommigen zullen voorgelicht willen worden over fysieke symptomen, ademhaling (Cheyne-Stokes) of spierbewegingen.

Omgevingsfactoren

Omgevingsfactoren kunnen het sterven van de patiënt in positieve mate beïnvloeden. Daarbij kan gedacht worden aan het creëren van een rustige omgeving (eenpersoonskamer, met zo min mogelijk geluid en de mogelijkheid het licht te dimmen), het vervangen van ziekenhuisbeddengoed door beddengoed in warme kleuren, het neerzetten van foto’s en het draaien van muziek, zodat de situatie iets huiselijker wordt.

Richtlijn

Palliatieve zorg op een intensive care-afdeling is, helaas, geen unieke aangelegenheid. Jaarlijks belanden zo’n 80.000 mensen op een IC-afdeling. Ongeveer 15% sterft er. Er is in toenemende mate aandacht voor deze groep patiënten. In 2009 publiceerde de Nederlandse Vereniging voor Intensive Care (NVIC) de ‘Richtlijn nalaten en staken van behandeling en palliatieve zorg na het staken van behandeling bij volwassen IC patiënten’. Deze richtlijn kent een sterk medisch gerichte inhoud, en zoomde wat betreft de zorg voor patiënten bij wie de behandeling gestaakt was vooral in op het gebruik van morfine, midazolam en propofol. De richtlijn is sinds 2009 nimmer geactualiseerd.
In 2014 verscheen wel de ‘Richtlijn End-of-life care bij IC-patiënten. De verpleegkundige zorg’ van Marijke Noomen en Boukje Dijkstra, geschreven in opdracht van het Lectoraat Acute Intensieve Zorg van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen. In deze kloeke nota is uitvoerig aandacht voor de medische en verpleegkundige zorg voor stervende IC-patiënten. Het – voor de praktijk – meest waardevolle deel is bijlage 4: een ‘Checklist Verpleegkundige zorg aan een IC-patiënt en naasten, voor, tijdens en na EOLC’. Deze kunt u hier downloaden.

P.S.

Op 16 maart een blog publiceren over palliatieve zorg en de afdeling intensive care heeft voor mij een bijzonder tintje, aangezien ik 12 jaar geleden op 16 maart – mijn verjaardag nota bene – op een afdeling intensive care werd opgenomen, na een longontsteking. Ik lag er drie weken (hoofdzakelijk gesedeerd) en overleefde het. Ik schreef er destijds een paar korte blogjes over. Deze zijn hier te lezen.

– – einde blog – –

N.B. – Donatiemogelijkheid

Als journalist schrijf ik over palliatieve zorg, hospicezorg en uitvaartzorg voor diverse opdrachtgevers. Maar soms zijn er ook verhalen die het verdienen geschreven te worden zonder dat daar een opdrachtgever voor te vinden is. Die publiceer ik gratis op deze website of op de website palliatievezorg.nl. Mocht je dat waarderen, of mocht je onafhankelijke journalistiek in de palliatieve zorg sowieso waarderen, overweeg dan een donatie. Je kunt zelf een bedrag invullen. Alvast dank.



Doneer € -


Bronnen:

R. Th. Gerritsen e.a. Richtlijn nalaten en staken van behandeling en palliatieve zorg na het staken van behandeling bij volwassen IC patiënten. Nederlandse Vereniging voor Intensive Care. 2009.

Marijke Noomen en Boukje Dijkstra. Richtlijn End-of-life care bij IC-patiënten. De verpleegkundige zorg. Lectoraat Acute Intensieve Zorg, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen. 2014.

Josien Schoo. Palliatieve zorg op een IC afdeling. Praktijkonderzoek naar de wijze waarop IC verpleegkundigen vorm geven aan de palliatieve zorg bij patiënten met een abstinerend beleid. Hogeschool Arnhem Nijmegen. 2010.

Liverpool Care Pathway for the Dying Patiënt. Supporting Care in the last hours or days of life in a Hospital Intensive Care Unit. Version 12. 2011.

Robert D. Truog, MD et al. Recommendations for end-of-life care in the intensive care unit: A consensus statement by the American Academy of Critical Care Medicine. Critical Care Medicine, 2008 Vol. 36, No. 3

Susan Yeager et al. Embrace Hope: An End-of-Life Intervention to Support Neurological Critical Care Patients and Their Families. Crit Care Nurse 2010;30:47-58

Democratiseer de palliatieve kennis

Er zijn tientallen consultatieteams palliatieve zorg. In die teams zitten dé deskundigen op gebied van palliatieve zorg. Voor patiënten en naasten zijn die nagenoeg onbereikbaar. Dit moet zo snel mogelijk veranderen.

Ik zal het eerlijk zeggen: het is me al meer dan tien jaar een doorn in het oog dat er geen consultatiebureau, helpdesk of informatiecentrum bestaat op gebied van palliatieve zorg. En het is me een nog grotere doorn in het oog dat al die miljoenen die de voorbije jaren in de verbetering van palliatieve zorg zijn gestoken níet ten dele naar het inrichten van zo’n landelijk bereikbaar bureau, desk of centrum zijn gegaan. Ik gun mensen die ongeneeslijk ziek zijn en hun naasten een laagdrempelige voorziening, die hen – via telefoon, mail en chat – kan ondersteunen in al hun vragen over (de praktische uitvoering van) palliatieve zorgverlening.

Vijf jaar geleden schreef ik er ook al een keer over, in het vakblad Pallium (nr. 2/2015), samen met Mariska Overman. Ik had bij KWF Kankerbestrijding en de NVVE geïnventariseerd welke palliatieve vragen van burgers er zoal aan hen gesteld werden. Ze kwamen grotendeels overeen met de vragen die ik sinds 1997 regelmatig via mijn website palliatievezorg.nl binnenkrijg. Het gaat om de volgende groepen vragen:
– vragen over het aanbod van de zorg (sociale kaart)
– vragen over de inhoud van de zorg
– vragen over de organisatie van de zorg (wet- en regelgeving, bureaucratie)
– vragen over het omgaan met de ziekte/het aanstaande sterven
– vragen over keuzes maken

Vooral de inhoud van de zorg levert veel vragen op, zo bleek. Er bestaan de nodige twijfels onder burgers over de deskundigheid van professionals t.a.v. de vier te onderscheiden domeinen van palliatieve zorg (lichamelijk, psychisch, sociaal, spiritueel). Een groot deel van de zorgprofessionals erkent de relevantie van die domeinen niet eens (voor zover ze ze überhaupt kennen). Los van de informatieve waarde op deze terreinen, zou een palliatieve helpdesk die door burgers gebeld kan worden ook van waarde kunnen zijn als luisterend oor en voor bemiddeling bij stroef verlopende contacten met de ‘eigen’ zorgverleners van patiënten/naasten.

Nadat ik het artikel in Pallium had gepubliceerd, volgde er een reactie van onder meer IKNL en Agora. Marianne Klinkenberg noemde het pleidooi voor de palliatieve helpdesk namens IKNL ‘herkenbaar’ en constateerde: ‘Daar moeten we in voorzien.’ Ook directeur Clémence Ross-van Dorp van Agora zag het wel zitten: ‘Wat mij betreft past het op dit moment prima om concrete stappen in de richting van een palliatieve helpdesk te zetten en knopen door te hakken.’

Dat was mooi, die ondersteuning. Maar ondertussen zijn we vijf jaar verder en wijst niets erop dat die palliatieve helpdesk dichterbij komt.

Zorgprofessionals

In het genoemde artikel had ik nog een ander punt. Zolang die palliatieve helpdesk niet bestaat, zouden we patiënten en naasten hun vragen kunnen laten stellen aan de palliatieve deskundigen die in een consultatieteam palliatieve zorg zitten. Natuurlijk, er is ‘reguliere zorg’, en in eerste instantie zou je misschien denken dat patiënten en naasten hun vragen wel aan de zorgprofessionals kunnen stellen die zij in dat kader ontmoeten. Maar u en ik weten dat die zorg lang niet altijd volstaat. De zorgprofessionals die de palliatieve zorg verlenen (ik denk hierbij vooral aan de thuiszorg en de ziekenhuizen) zijn nauwelijks in die specifieke vorm van zorg opgeleid of bijgeschoold. Zij zullen dus ook niet alle vragen van patiënten en naasten voldoende kunnen beantwoorden.

En hoe graag we ook willen dat die generalistisch opgeleide professional de specialist in de palliatieve zorg inschakelt als er een probleem is in de behandeling en begeleiding van een ongeneeslijk zieke patiënt: dat gebeurt zeer weinig. Uit onderzoek blijkt dat bij zo’n 5,5% van de ‘palliatieve trajecten’ een consultatieteam één keer (!) meekijkt. Verloopt dus 94,5% van deze (veelal maandenlange) trajecten vlekkeloos? Zijn er bij 94,5% van de situaties nooit vragen over ‘of iets niet beter kan’? Dat zou mooi zijn. Maar wie zijn/haar oren te luister legt in kringen van mensen die ongeneeslijk ziek zijn, weet dat dat niet waar is.

Wie heeft er – behalve de zorgprofessionals – zicht op de kwaliteit van de palliatieve zorg? Er is dan maar één andere partij te noemen, die het reilen en zeilen van die palliatieve zorgverlening aan den lijve ervaart. Dat is de patiënt zelf, samen met zijn naasten. Die zien en merken ook dat er soms iets fout gaat. Of dat er ronduit geklungeld wordt door die generalistische zorgverleners. Waarom mogen zij eigenlijk die voor zorgprofessionals beschikbare palliatieve deskundigheid niet inschakelen? Waarom stelt het gros van de consultatieteams palliatieve zorg zich niet open voor telefoontjes van burgers?

Achter een slotje

Het is treurigheid troef: alle beschikbare palliatieve kennis zit in feite achter een slotje. Je hebt er pas indirect toegang toe als je een zorgprofessional weet te motiveren om zo’n consultatieteam te benaderen. Waarom wordt die palliatieve kennis niet gedemocratiseerd?

Los van het voordeel dat dit voor de individuele patiënt en zijn naaste kan hebben, zie ik nog wel meer voordelen van die democratisering. Het open stellen van alle consultatieteams palliatieve zorg voor burgers kan een middel zijn om de kwaliteit van de palliatieve zorgverlening – in gezamenlijkheid – te helpen verhogen. Het past bij het zo veel besproken en bewierookte zelfmanagement van patiënten. Het open stellen van de teams is een uitnodiging voor patiëntenparticipatie pur sang. Dank zij de vragen van patiënten en naasten zullen de teams horen welke problemen zij in de zorgverlening ervaren. Dat zijn dan vervolgens precies de punten waarop een verbetering bereikt moet worden. Vergelijk het met de behoorlijk succesvolle werkwijze van het Praktijkteam Palliatieve Zorg, maar dan gericht op de inhoud van de zorg, en niet alleen de organisatie ervan.

Het is ook een ideaal middel om de vooralsnog ongrijpbare ‘onbewust onbekwame professional’ – die nóóit een consultatieteam palliatieve zorg zal bellen, en zich ook nóóit zal inschrijven voor een bijscholing op gebied van palliatieve zorg – op te sporen. Wie weet kunnen meldingen van patiënten ervoor zorgen dat hij/zij toch gemotiveerd wordt zichzelf deskundiger te maken?

Dus, waarom nu nog wachten met het beschikbaar stellen van de palliatieve kennis aan patiënten en naasten? Wat houdt ‘de palliatieve sector’ tegen?

– – einde blog – –

N.B. – Donatiemogelijkheid

Als journalist schrijf ik over palliatieve zorg, hospicezorg en uitvaartzorg voor diverse opdrachtgevers. Maar soms zijn er ook verhalen die het verdienen geschreven te worden zonder dat daar een opdrachtgever voor te vinden is. Die publiceer ik gratis op deze website of op de website palliatievezorg.nl. Mocht je dat waarderen, of mocht je onafhankelijke journalistiek in de palliatieve zorg sowieso waarderen, overweeg dan een donatie. Je kunt zelf een bedrag invullen. Alvast dank.



Doneer € -


Overdenkingen bij een overheidscampagne

Het heeft even geduurd, maar de overheidscampagne over palliatieve zorg is op 20 juni 2019 gestart. In de media is de campagne onmiddellijk verengd tot een ‘praat vroegtijdig over het levenseinde-campagne’. Jammer misschien, maar aan de andere kant is het ook weer niet zo raar, gezien de (voorlopige) inhoud van de campagne.

De campagne legt daarmee direct een wezenlijke vraag op tafel: is palliatieve zorg nu wel of niet synoniem voor levenseindezorg, de zorg voor mensen die nabij het levenseinde zijn?

Wie de bij de campagne behorende website bekijkt, stuit allereerst op de campagneslogan: ‘Ik heb te horen gekregen dat ik doodga. Maar tot die tijd leef ik.’ Wie één van de twee campagnefilmpjes bekijkt, hoort de hoofdpersoon – Joop – zeggen: ‘Ik heb misschien nog maar een paar weken te leven. Dan krijg je palliatieve zorg’. En wie wat verder rondsnuffelt, struikelt over de begrippen levenseinde, ‘de laatste levensdagen’ en ‘de laatste levensfase’ en struikelt ook over verwijzingen naar de website van VPTZ (vrijwilligers die in de laatste weken ondersteuning bieden) en de website ikwilpratenmetje.nu, die een duidelijke focus op de laatste levensfase heeft. Al met al lijkt de campagnesite, alsook het sterk op de dood gerichte interview dat minister Hugo de Jonge als startschot van de campagne aan Trouw gaf, het duidelijke antwoord ‘Ja’ te geven op de vraag of palliatieve zorg synoniem aan levenseindezorg is.

Wie dezelfde vraag stelt en vervolgens kijkt naar nationale én internationale ontwikkelingen op gebied van palliatieve zorg, krijgt het tegenovergestelde antwoord. Want in die wereld zie je individuele hulpverleners en diverse instellingen al enige decennia heldhaftige pogingen doen om los te komen van ‘dat laatste stukje’. Ik kan me een interview uit 2006 met één van de eerste hoogleraren palliatieve zorg herinneren, waarin deze – Kris Vissers – expliciet stelde: “In het brede spectrum van de gezondheidszorg zijn ‘wij van de palliatieve zorg’ het laatste wagonnetje. Dat zou ik graag willen veranderen. Palliatieve zorgverlening is óók aan de orde in het hele traject dat aan de laatste levensfase voorafgaat.”

In die palliatieve wereld heeft men dan ook een veel bredere kijk op die palliatieve zorg dan de campagne laat zien. Het gehele spectrum van de palliatieve zorg, zoals dat ook is opgenomen in het Richtlijnenboek over palliatieve zorg, verdeelt de palliatieve zorg in vier delen: ziektegerichte palliatie, symptoomgerichte palliatie, palliatie in de stervensfase en nazorg. Ook als je kijkt naar het recent geïntroduceerde Kwaliteitskader Palliatieve Zorg, dat toch gedragen wordt door zo ongeveer alle beroepsorganisaties die ook maar ‘iets’ met palliatieve zorg te maken hebben, dan probeert men die markering van de start van de palliatieve zorg minstens een jaar voor het verwachte overlijden te maken (via de Surprise Question).

Met andere woorden: het palliatieve veld ziet zichzelf tot veel meer in staat dan alleen palliatie in die laatste levensfase. Hopelijk krijgt dat perspectief nadrukkelijk aandacht in de resterende campagne-onderdelen, die ongetwijfeld de komende maanden zullen komen.

Een tweede kanttekening bij de campagne betreft de – op zich – uiterst goed te verantwoorden oproep aan de burger om op zoek te gaan naar palliatieve zorg in zijn/haar omgeving. Ga in gesprek met je arts, bezoek een hospice en ontmoet lotgenoten, zijn enkele adviezen die de campagnewebsite geeft. Prachtig en prima allemaal. Echter: hadden we niet recent geconstateerd – in een onderzoek van Leyden Academy – dat artsen niet of nauwelijks zijn opgeleid op gebied van palliatieve zorg? Hadden we niet eveneens recent geconstateerd – rapport Niet alles wat kan, hoeft en het ZonMw-signalement Moet alles wat kan? – dat artsen nog teveel in de behandelstand staan, en dat zij daardoor niet of nauwelijks in staat zijn een goed gesprek met patiënten over palliatieve zorgverlening te voeren? Ik moet even denken aan een schrikbarend deel uit een interview dat ik dit jaar had met internist-oncoloog Sabine Netters: “Ik denk dat het basale concept van palliatieve zorg – de brede kijk op de mens, denkend aan de vier domeinen – niet zo bekend is onder medisch-specialisten. Ik vraag me af hoe groot het deel is dat verder komt dan twee domeinen. Met name de sociale en spirituele aspecten van de zorg zijn volgens mij nog maar nauwelijks bekend. Ik vermoed dat menigeen dit niet tot hun werk rekent.”

En nog los van de vraag hoe artsen zich tot palliatieve zorg verhouden: op hoeveel handen zijn de lotgenotengroepen voor palliatieve patiënten te tellen? In hoeverre staan hospices open voor bezoeken van honderden geïnteresseerde burgers? Staan de verpleegkundigen en verzorgenden van de thuiszorg geheel stijf van de palliatieve deskundigheid? Met andere woorden: loopt de overheid niet het risico dat ze burgers blij maken met een dooie mus? Is ‘het systeem’ van palliatieve zorg al dusdanig op orde dat alle zorgverleners daar genoeg kennis en kunde over hebben? Dusdanig veel dat ze burgers het vertrouwen kunnen geven dat het ‘later’ wel goed komt met die palliatieve zorg die zij nodig hebben? Ik waag het te betwijfelen.

Door burgers in de campagne op te roepen uit te kijken naar het palliatieve aanbod in hun eigen omgeving, vergroot het ministerie de urgentie om de palliatieve kennis en vaardigheden van alle zorgverleners te vergroten. Als de campagne daartoe weet aan te zetten, neem ik die overdreven verbinding met het levenseinde wel even voor lief. Misschien komen er in de nabije toekomst aanvullingen op de site die dat beperkte beeld van palliatieve zorg breder trekken? Ik neem aan dat dat goed komt.

N.B. – Donatiemogelijkheid

Als journalist schrijf ik over palliatieve zorg, hospicezorg en uitvaartzorg voor diverse opdrachtgevers. Maar soms zijn er ook verhalen die het verdienen geschreven te worden zonder dat daar een opdrachtgever voor te vinden is. Die publiceer ik gratis op deze website of op de website palliatievezorg.nl. Mocht je dat waarderen, of mocht je onafhankelijke journalistiek in de palliatieve zorg sowieso waarderen, overweeg dan een donatie. Je kunt zelf een bedrag invullen. Alvast dank.



Doneer € -


Het 15e bezoek van een EAPC-congres

EAPC

Vorige week bezocht ik voor de 15e keer in twintig jaar tijd een EAPC-congres. Op zo’n congres, dit keer in Berlijn, komen duizenden bezoekers af. Zij dompelen zich ruim twee dagen onder in honderden lezingen, tientallen sessies en meer dan duizend ‘posters’, vol informatie over alles wat maar – binnen de palliatieve zorgcontext – onderzocht en besproken kan worden. ‘Waarom ga je daarnaar toe’, wordt me regelmatig gevraagd. Nou, hierom.

Ik leerde al vrij snel – direct al bij mijn eerste EAPC-congresbezoek, in 1999 in Genève – dat er op EAPC-congressen geen hard nieuws te halen valt. Wie verwacht dat op zo’n congres de nieuwste behandeling voor symptoom X of Y wordt gepresenteerd, komt van een koude kermis thuis. Want als er al een ‘nieuwste behandeling’ ergens voor bestaat, dan is daar al over gepubliceerd in een vakblad of een weblog. En dat geldt voor al die honderden onderwerpen die voorbij komen: niets wordt daar voor het eerst gezegd of gepresenteerd.

Dat betekent niet dat je geen verrassingen kunt tegenkomen. Ik kan me nog goed herinneren hoe verrast ik zo’n tien jaar geleden was toen ik op een EAPC-congres voor het eerst een Amerikaans zorgprogramma tegenkwam dat zich specifiek richtte op hospicezorg voor levenslang gestraften. Eenzelfde verrassing ervoer ik toen ik tijdens het Berlijnse congres hoorde over de mogelijkheid dat urine gebruikt gaat worden als voorspeller voor een aanstaand sterven. Wie de literatuur over palliatie in de psychiatrie de afgelopen jaren niet heeft bijgehouden, kon verrast worden door de nieuwe naam die daaraan – in Vlaanderen althans – wordt gegeven: crustatieve zorg. En wie afgelopen jaren gemist heeft dat er een complete ‘deathpositive movement’ is ontstaan, zal verbaasd zijn geweest over de hoeveelheid Death Cafes op de wereld. Zo zijn er tijdens een EAPC-congres tientallen ‘nieuwigheden’ te horen. Niet wereldschokkend, maar wel duidend. Duidend hoe de mondiale palliatieve zorgwereld zich beweegt.

Los van die informatieve kant is er een tweede belangrijke reden voor mij om naar zo’n EAPC-congres te gaan. Want laten we wel zijn: eigenlijk zijn al die duizenden EAPC-bezoekers een beetje knettergek. Hoe leuk kan het immers zijn om een paar dagen achter elkaar van ’s ochtends acht tot ’s avonds zes naar lezingen te luisteren of posters te lezen over tal van aspecten van palliatieve zorg? En om in de tussenliggende vrije lunch- of pauzetijd ook nog eens met elkaar te praten over de dingen die je net hebt gehoord of gelezen? Ik vermoed dat 99% van de Nederlanders daar de lol of de zin niet van inziet.

Wat ik bedoel te zeggen: tijdens EAPC-congressen ervaar ik een voor mij vrij wezenlijk community-gevoel. Ik voel me een gek onder de palliatieve gekken. Wie geen toegewijde palliatieve zorgfreak is, houdt het namelijk nog geen halve congresdag vol. En tijdens EAPC-congressen blijkt telkens weer dat een paar duizend m/v vanuit de hele wereld dat een paar dagen lang heel goed aankan. Ik prijs mezelf gelukkig tussen hen. De bezieling zindert er rond.

PZNL en de dikke vinger van IKNL

Blog PZNL

Deze week viert de Coöperatieve Palliatieve Zorg Nederland haar eerste verjaardag. Reden voor taart en champagne, want de Coöperatie wint de prijs voor de meest schimmige en vage palliatieve club van het land.

Het rookgordijn werd al direct vanaf het begin opgetrokken. Na het eerste ronkende persbericht over de op handen zijnde presentatie van ‘PZNL’, zoals de Coöperatie zichzelf noemt, vroeg ik om nadere info bij de voorzitter, Esmé Wiegman. Zoiets doen journalisten nou eenmaal.

In het persbericht, gepubliceerd op de website van de hoofdsponsor van de Coöperatie, IKNL, stond onder meer: “Leden onderschrijven de beginselen, statuten en jaarplannen van PZNL, kunnen hun eigen identiteit en taakstelling behouden, maar zich ook volledig verbinden aan PZNL”. Ik was geïnteresseerd in die ‘beginselen en statuten’ van de Coöperatie, dus ik vroeg ze bij de voorzitter op. Waarom? Ik had daar diverse redenen voor: allereerst wilde ik over de oprichting schrijven (in Pallium, op palliatievezorg.nl). Daarnaast wilde ik met de pet van Bureau MORBidee op bekijken of Bureau MORBidee zich misschien bij de Coöperatie zou willen aansluiten.

De gevraagde informatie kon echter niet worden toegestuurd, zeker niet als ik die vraag met de Bureau MORBidee-pet op stelde: “Met het lidmaatschap richten we ons op landelijke organisaties in de palliatieve zorg. Het heeft dus niet zoveel zin statuten naar je op te sturen”, mailde Esmé me. Dat Bureau MORBidee niet als landelijke organisatie in de palliatieve zorg wordt gezien, was een terechte constatering, want wij richten ons – behalve op palliatieve zorg – ook op sectoren als uitvaartzorg, onderwijs en ouderenzorg. Het vervolg op die constatering had ook kunnen zijn: ‘Zie de statuten.’ Maar nee, de statuten moesten ogenschijnlijk vooral niet aan de openbaarheid worden prijsgegeven. Door nodeloos geheimzinnig te gaan doen, werden de statuten alleen maar interessanter.

Bij het recente Nationaal Congres Palliatieve Zorg – ruim een half jaar na het vermelde mailcontact – was mijn vraag naar de statuten al bijna een running gag geworden. Esmé zei tijdens het congres dat de statuten op korte termijn op een website zouden worden gezet. Misschien gaat dat nog steeds een keer gebeuren. Ik ga daar echter niet op wachten: ik kocht ze onlangs voor 3,65 euro via de website van de Kamer van Koophandel.

Naar die presentatie van de Coöperatie, april vorig jaar tijdens een IKNL-symposium in Arnhem, was lang uitgekeken. Meer dan 100 weken (!) overleg waren eraan voorafgegaan. In die periode zijn diverse opties voor een toekomstige PZNL besproken. In eerste instantie waren IKNL, Stichting Fibula en Agora daarbij betrokken, maar onderweg haakte Agora af, omdat er alsmaar geen duidelijkheid kwam over het karakter van die toekomstige PZNL.

PZNL werd uiteindelijk door twee partijen opgericht: IKNL (> 500 personeelsleden) en de vooralsnog volslagen onzichtbare Stichting Fibula (zo’n 3 fte), de koepelclub van Netwerken Palliatieve Zorg. De statuten barsten dusdanig van het IKNL-overwicht dat de Coöperatie eigenlijk net zo goed IKNL-light kan worden genoemd. Zo schrijft artikel 3.2 voor dat alle bestuurders van de Coöperatie door de algemene vergadering worden benoemd, maar dat het IKNL er ook altijd ééntje mag benoemen. Waarom? ‘Ten einde het verband tussen palliatieve en oncologische zorg te waarborgen’, leggen de statuten uit. Pardon? Is dat nodig? En zo ja, is het niet veel wenselijker om het verband tussen palliatieve zorg en dementiezorg, of de zorg voor mensen met hart-, long-, of nierfalen, te waarborgen?

Ook bijzonder: in de statuten worden twee bestuurders benoemd (de eerder genoemde Esmé Wiegman en Jessica Bruijnincx), maar de voorzitter van de vergadering heet Peter Huijgens, die in het dagelijkse leven de baas bij IKNL is. Het valt inhoudelijk totaal niet te verantwoorden waarom het IKNL zo’n dikke vinger in de pap heeft. Niet voor niets drong prof.dr. Gerrit van der Wal, voormalig Inspecteur-Generaal IGZ en voorzitter van de Palliantie-commissie van ZonMw, onlangs aan op een ‘losweken’ van Coöperatie en IKNL. Het is immers niet dat hele grote IKNL dat zich met palliatieve zorg bezighoudt, het is ‘slechts’ die kleine palliatieve afdeling van het IKNL. Dit maakt die dikke vinger in de pap des te vreemder.

Het rookgordijn rondom de Coöperatie bestaat niet alleen dank zij die vage ontstaansgeschiedenis, de bijzondere rol van het IKNL en de onduidelijke positionering. Het bestaat ook dank zij gebrek aan transparantie. Bij voorbeeld over de statuten, maar dat is niet het enige. Het afgelopen jaar is Esmé drie keer door de redactie van Pallium uitgenodigd om een interview af te staan over de Coöperatie. Het is er alle keren niet van gekomen. De ene keer omdat de betreffende journaliste van het kastje (voorlichter X) naar de muur (voorlichter Y) werd gestuurd, een andere keer omdat het ‘net te vroeg’ voor een interview zou zijn – de Coöperatie bestond toen al een half jaar – en de derde keer… Ach, wat doet het er toe. Voor de volledigheid: ik heb het afgelopen jaar wel twee keer telefonisch met Esmé over de Coöperatie gesproken, maar dat was ‘off the record’. Het zorgde er overigens niet voor dat ik niet dezelfde vraagtekens bleef houden bij de rol en positionering van de Coöperatie.

Het afgelopen jaar beschouwend zijn er in feite slechts drie wapenfeiten te noemen in relatie tot de Coöperatie: er is een website gekomen (palliaweb.nl), er is een derde partij tot de Coöperatie toegetreden (Stichting PaTz, vanuit zeer begrijpelijke, pragmatische redenen) en er is bij mij enorm veel interesse ontstaan naar de eerste jaarrekening die de Coöperatie één dezer weken/maanden openbaar moet maken. Want laten we eens een gokje wagen mensen: hoeveel ton zou dit eerste jaar de belastingbetaler inmiddels al hebben gekost?

Afgezet tegen de hoeveelheid patiënten die het afgelopen jaar geprofiteerd hebben van het bestaan van de Coöperatie is dat vast beschamend.

Het verdeelde palliatieve landschap

landschap

Wie voor het eerst ontdekt dat niet alleen zorginstellingen zich met palliatieve zorg bezighouden, leert al snel een tweede, een derde, een vierde en een vijfde landelijke organisatie kennen. Wat doet de één, wat doet de ander? Voor de buitenwereld is dat volslagen onduidelijk, en zelfs de ingewijde kan het er moeilijk mee hebben. In een fictief telefoongesprek, gebaseerd op allerlei echte conversaties die ik de voorbije jaren voerde, probeer ik wat duidelijkheid te scheppen.

“Met Rob Bruntink, goedemiddag.”

“Goedemiddag, met Hedi van Vleuten, consulent van het WMO-Bureau van de Gemeente Hengelo.”

“Dag, wat kan ik voor u betekenen?”

“Wij krijgen als WMO-Bureau steeds vaker te maken met palliatieve zorg. U schrijft daar veel over en u woont bij ons in de gemeente, dus ik dacht: misschien kunt u mij ergens bij helpen.”

“Vertel.”

“Is er een landelijke organisatie waarbij ik met al mijn vragen over palliatieve zorg terecht kan?”

‘Nee, helaas niet. Maar ik kan u wel verwijzen, afhankelijk van het onderwerp van de vraag. Voor vragen over regelgeving en financiering bij voorbeeld, kunt u het beste contact opnemen met het ministerie van VWS. Voor vragen over vergoeding van specifieke vormen van zorg – dagbehandeling, hospicezorg of bepaalde medicatie – zou u een zorgverzekeraar kunnen bellen. Heeft u echter vragen over hospicezorg, dan kunt u die het beste stellen aan het lokale hospice of aan één van de twee koepelorganisaties op gebied van hospicezorg: AHzN of VPTZ. Bij die AHzN – een afkorting van Associatie Hospicezorg Nederland, al was dat eerder de Associatie voor High-care Hospices Nederland – kunt u echter alleen informatie krijgen over hospices met een bepaalde organisatiestructuur: de structuur waarbij professionals in dienst zijn die verantwoordelijk zijn voor de geleverde medische en verpleegkundige zorg. Wilt u info over een hospice met een andere organisatiestructuur – eentje waarbij de medische en verpleegkundige zorg door huisartsen en thuiszorgorganisaties wordt uitgevoerd – dan kunt u het beste VPTZ bellen. VPTZ staat trouwens voor Vrijwilligers Palliatieve Terminale Zorg. Tot een jaar of tien geleden heetten ze nog VTZ trouwens, zonder die P.”

“Ik schrijf het even op. VPTZ en AHzN dus.”

“Ja. En bij die VPTZ kunt u ook informatie inwinnen over de inzet van vrijwilligers bij mensen thuis. Daarvoor zult u bij AHzN tevergeefs aankloppen.”

“Okee, fijn. En als iemand niet thuis of in een hospice verblijft, maar in een ziekenhuis of een verpleeghuis? Kan ik dan ergens terecht als ik vragen heb over palliatieve zorg?”

“Nee, daar zijn geen koepelorganisaties voor. Als je vragen over de zorg zelf hebt, kun je het beste contact opnemen met de huisarts of de verpleegkundige die bij de zorg betrokken is. En eventueel kun je ook nog een Consultatieteam Palliatieve Zorg bellen. Anders dan de naam misschien doet vermoeden, is dat geen algemene vraagbaak voor palliatieve zorg, maar behandelt die alleen vragen over specifieke medische en verpleegkundige onderwerpen. En de overgrote meerderheid van die teams mag sowieso alleen gebeld worden door zorgprofessionals. Dus daar heeft u niet zoveel aan.”

“Als ik palliatieve patiënten wil benaderen… Is er eigenlijk een belangenvereniging voor mensen die palliatieve zorg krijgen?”

“Nee.”

“Of voor de partners en/of familieleden van hen?”

“Nee. Er zijn wel tientallen patiëntenverenigingen die zich op één of andere wijze met palliatieve zorg bezighouden, maar daar is geen koepelorganisatie voor. Er is wel een koepelorganisatie van alle patiëntenorganisaties, die heet Patiëntenfederatie Nederland, maar dus niet voor de patiëntenorganisaties die palliatieve zorg als interessegebied hebben. Er is wel een patiëntenorganisatie te noemen die zich sterk verbonden voelt met palliatieve zorg, de Nederlandse Patiëntenvereniging, maar die houdt zich niet alleen met palliatieve zorg bezig. Met andere woorden: als u mensen met kanker wilt bereiken bij wie de ziekte ‘palliatief’ te noemen is, doet u dat via een patiëntenvereniging voor mensen met kanker, als u mensen met Parkinson wilt bereiken bij wie de ziekte ‘palliatief’ te noemen is, doet u dat via de patiëntenvereniging voor mensen met Parkinson, et cetera.”

“Dat is erg veel werk. Als ik hen als groep wil benaderen, is daar dan verder geen mogelijkheid voor?”

“Nee, niet dat ik weet. Ik heb wel wat suggesties. U kunt ze misschien via allerlei media bereiken? Of via de ouderenbonden? Of via de verschillende beroepsgroepen van professionals die palliatieve zorg verlenen?”

“Is er één organisatie voor alle beroepsgroepen van zorgprofessionals?”

“Ja, in principe wel: Palliactief. Het noemt zich expliciet een multidisciplinaire beroepsvereniging.”

“Hoezo ‘in principe’?”

“Omdat er daarnaast ook nog allerlei andere organisaties van beroepsgroepen zijn die zich met palliatieve zorg bezighouden. Stichting PaTz bij voorbeeld is er voor de huisartsen en verpleegkundigen die in een PaTz-groep zitten en gezamenlijk Palliatieve Thuiszorg verlenen, KNMG is er voor alle artsen, PalHag voor de huisartsen die een Kaderopleiding Palliatieve Zorg hebben gevolgd, Verenso voor de specialisten ouderengeneeskunde, V&VN Palliatieve zorg voor de verpleegkundigen en verzorgenden (voorheen de NVVPZ, de Nederlandse Vereniging voor Verpleegkundigen in de Palliatieve Zorg), het Netwerk VSO (Landelijk Netwerk Verpleegkundig Specialisten Oncologie & Palliatieve zorg) voor verpleegkundig specialisten en vroeger had je ook nog de NAPC voor de artsen en verpleegkundigen die ook consulent palliatieve zorg waren, maar die is opgeheven. Daarnaast zijn er nog tal van beroepsverenigingen te noemen die zich bijna ‘en passant’ met palliatieve zorg bezighouden, zoals de NVMW, de Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers of de VGVZ, de Vereniging van Geestelijk VerZorgers.”

“Nou, dat is een hele lijst. Wie zorgt er voor de deskundigheid van al die mensen?”

“Niemand in het bijzonder. Er zijn richtlijnen palliatieve zorg, die onder verantwoordelijkheid van het platform PAZORI. zijn gemaakt. En er zijn tientallen aanbieders voor bij- en nascholingen. Leerhuizen Palliatieve Zorg bij voorbeeld, of Zorgscholing. Ook hospices richten zich soms op die markt. Voor verpleegkundigen hebben steeds meer Hogescholen een speciale minor of module over palliatieve zorg. Voor dokters is er die Kaderopleiding Palliatieve Zorg die ik zojuist noemde. Maar niemand ‘moet’ een opleiding volgen, het is een vrijwillige keuze om bijgeschoold te raken. Palliatieve zorg wordt als generalistische zorg gezien, dus de artsen en verpleegkundigen die in de praktijk palliatieve zorg verlenen doen dat hoofdzakelijk op basis van de reguliere opleiding. Waarin overigens nauwelijks aandacht is voor palliatieve zorg.”

“Dat klinkt niet best. Maar zijn zij wel betrokken bij het doen van onderzoek naar mogelijke verbeteringen in de palliatieve zorg?”

“Niet direct, maar wel indirect.”

“Hoe dan?”

“Daarvoor zijn er bij voorbeeld Netwerken Palliatieve Zorg.”

“Wat doen die?”

“Die bundelen alle individuen en organisaties binnen een bepaalde regio die palliatieve zorg verlenen. Dat kunnen er een heleboel zijn. Huisartsen, huisartsenposten, ziekenhuizen, apothekers, vrijwilligers palliatieve terminale zorg, verpleeghuizen, verzorgingshuizen, thuiszorgorganisaties, hospices, et cetera en enzovoorts. Die werken binnen zo’n Netwerk met elkaar samen. En vanuit die Netwerken Palliatieve Zorg kunnen ook ideeën voor onderzoek aangereikt worden aan Consortia Palliatieve Zorg.”

“Consortia Palliatieve Zorg?”

“Ja, dat zijn samenwerkingen tussen hoofdzakelijk de Expertisecentra Palliatieve Zorg van academische ziekenhuizen en universiteiten plus de Netwerken Palliatieve Zorg. Zij zetten onderzoek uit. Veelal met geld van ZonMw, een collectebusfonds zoals KWF Kankerbestrijding of Longfonds of vanuit een programma dat veelal verbonden is met de Europese Gemeenschap. Die Expertisecentra, en we hebben er acht in Nederland, werken trouwens sinds kort samen in de Stichting PalZon, de Stichting Palliatieve Zorg Onderzoek Nederland.

“Interessant zeg. Maar wie coördineert dat allemaal?”

“Niemand. Nou ja, uiteindelijk VWS, denk ik, verwacht ik, hoop ik.”

“Maar al die organisaties waar al die professionals en vrijwilligers werken moeten toch ergens door ondersteund worden?”

“Ja, dat zou handig zijn. Ik heb nog een paar organisaties niet genoemd die zich daar ten dele wel mee bezighouden.”

“Ah fijn, welke dan?”

IKNL, Agora en Fibula.”

“Houdt u mij voor de gek?”

“Nee, ze heten echt zo. IKNL staat voor Integraal Kankercentrum Nederland. Een enorm grote club, waar zo’n 500 mensen werken. IKNL heeft zo’n twintig jaar geleden van VWS de opdracht gekregen zich met de ontwikkeling en ondersteuning van palliatieve zorg bezig te houden, en dat doen ze met verve.”

“Maar die ‘K’ slaat dan toch nergens op, in de naam? Ik meende namelijk ergens opgevangen te hebben dat palliatieve zorg ook aan andere patiëntengroepen dan mensen met kanker kan worden verleend.”

“Ja, dat is zo, die ‘K’ is heel ongezond in een naam van een club die zich op palliatieve zorg richt. Daarom werken ze er nu hard aan om het deel palliatieve zorg van hun werkzaamheden – want de belangrijkste taken van het IKNL richten zich op oncologische zorg – los te weken van IKNL en onder te brengen in een Coöperatie Palliatieve Zorg Nederland.”

“Jeetje, een Coöperatie. Wie zitten daar nog meer in?”

“Alleen Fibula en de eerder genoemde Stichting PaTz.”

“Dat klinkt nog niet echt als een flinke Coöperatie. Maar wat doet Fibula?”

“Fibula is de koepelorganisatie van alle Netwerken Palliatieve Zorg. Ze zijn druk met interdisciplinaire samenwerking en communicatie te bevorderen tussen de verschillende zorginstellingen en individuen die palliatieve zorg verlenen.”

“En je had toch nog zo’n drielettergreep-organisatie? Het rijmde een beetje op Fibula.”

“Ja, klopt, dat is Agora. Het is ooit begonnen als een soort palliatieve LinkedIn: men verbond allerlei mensen met elkaar die zich met hetzelfde deelgebiedje van palliatieve zorg bezighielden. Spirituele zorg bij voorbeeld, of de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking.”

“En nu?”

“Nu richten zij zich op het stimuleren van een palliatieve benadering in zorg en welzijn. Dus dat zit wel een beetje in uw hoek. WMO is toch ook ‘de afdeling welzijn’?”

“Ja, daar heeft het zeker raakvlakken mee. Fijn om te weten. Misschien moet ik hen dan maar bellen. Denkt u overigens dat er ooit nog één organisatie komt waar burgers en mensen als ik wél bij terecht kunnen als zij vragen over palliatieve zorg hebben? Een soort consultatiebureau, maar dan rondom de palliatieve levensfase?”

“Ik heb geen glazen bol, ik zou het niet weten. Wat mij betreft had er twintig jaar geleden al geïnvesteerd moeten worden in een soort NVVE, maar dan rondom palliatieve zorg. Een organisatie met een duidelijk gezicht, een organisatie die ook erg zijn best doet om palliatieve zorg ‘in den lande’ bekend te maken. Iedere dag dat daar niet aan gewerkt wordt, is mijns inziens een verloren dag. Dat zijn ondertussen al een dikke zevenduizend dagen trouwens. En in die tijd overleden ongeveer 1,5 miljoen mensen aan een ziekte die palliatieve zorgverlening vereist. Maar men is al met al nogal intern gericht, het ontbreekt aan een gevoel van urgentie. Dus of er ooit een laagdrempelige vraagbaak komt…? Belt u me anders over een jaar of tien nog eens een keer. Misschien dat er dan meer zicht is op zoiets als een Nationaal Centrum Palliatieve Zorg, met diverse aanspreekpunten op lokaal, regionaal en digitaal vlak. Misschien is dan ook de Luisterlijn Palliatieve Zorg die er ooit was weer gerevitaliseerd. Dat zou mooi zijn.”

“Goed, ga ik doen.”

“Fijn, tot later.”

“Oh trouwens, wat betekent NVVE?”

“Dat is de afkorting voor Nederlandse Vereniging voor Vrijwillig Levenseinde. Eerder heette dat de Nederlandse Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie, vandaar de E op het eind. Maar dat is ooit aangepast, zonder dat de afkorting veranderde.”

“Lekker duidelijk.”

“Inderdaad! Overigens is de verdeeldheid aan hen ook niet voorbijgegaan, gezien het bestaan van Coöperatie Laatste Wil, Stichting LevenseindeCounseling, Levenseindekliniek (of: Expertisecentrum Euthanasie) en Stichting De Einder.”

“Tjongejonge, het is een flinke industrie geworden.”

“Klopt. Desalniettemin, fijne dag verder!”

N.B. – Donatiemogelijkheid

Als journalist schrijf ik over palliatieve zorg, hospicezorg en uitvaartzorg voor diverse opdrachtgevers. Maar soms zijn er ook verhalen die het verdienen geschreven te worden zonder dat daar een opdrachtgever voor te vinden is. Die publiceer ik gratis op deze website of op de website palliatievezorg.nl. Mocht je dat waarderen, of mocht je onafhankelijke journalistiek in de palliatieve zorg sowieso waarderen, overweeg dan een donatie. Je kunt zelf een bedrag invullen. Alvast dank.



Doneer € -


P.S. 1
Sommige organisaties heb ik bewust niet genoemd, omdat ze opgeheven zijn (NPTN: Netwerk Palliatieve Zorg voor Terminale Patiënten in Nederland) of zich alleen met palliatieve zorg voor een specifieke doelgroep bezighouden (Stichting PAL Kinderpalliatieve Expertise). Mocht u toch vinden dat een bepaalde landelijke organisatie wél in dit overzicht moet worden opgenomen, laat het me weten. Bij voorbeeld via het reactieveld hieronder.

P.S. 2
Stichting Fibula heeft midden november 2018 een nieuwe versie van de infographic ‘Het landschap van palliatieve zorg’ gepresenteerd. Daarbij is rijkelijk geput uit bovenstaande opsomming. Ik weet niet of de verhouding tussen alle partijen er duidelijker op wordt, maar wie de infographic wil zien… Download ‘m hier.

Over de palliatieve sekte

Tijdens de bijeenkomst Kwaliteitskader Palliatieve Zorg: van papier naar praktijk noemde ik de palliatieve zorgwereld een sekte. Hoewel dat voor de sekteleden veelal een prettige, veilige wereld is, schuilen er ook gevaren in.

DISCLAIMER vooraf. Dit blog gaat niet over individuele zorgverleners, dit gaat over een beweging: een optelsom van ontwikkelingen in een bepaald segment van de maatschappij, en de daarin ontstane organisaties en processen. Als het wel over individuen gaat, gaat het over de mensen die invloed hebben op het gedrag van die organisaties en op de processen die in die beweging gaande zijn.

Deze geruststelling is even nodig. Om te voorkomen dat al die hardwerkende zorgprofessionals zich aangesproken voelen. En dat hoeft niet. Want dat de palliatieve beweging een sekte is geworden, ligt niet aan hen.

De geslotenheid van de pallliatieve zorgbeweging richting de buitenwereld heb ik beschreven in een eerdere blog. Zo mist de beweging de link met belangrijke ontwikkelingen in de maatschappij (zoals de gedachtenvorming over ‘euthanasie bij voltooid leven’ of de initiatieven van uitvaartbedrijven en andere ondernemers die de dood bespreekbaarder maken) en is er geen structurele verbinding met de sectoren die – vanuit patiëntenperspectief – een 100%-link hebben met palliatieve zorgverlening: de uitvaartsector en de rouwwereld. Tekenend daarbij is bij voorbeeld dat er in geen enkel Netwerk Palliatieve Zorg een partij vertegenwoordigd is die ‘ondersteuning bij verlies en rouw’ als core-business heeft, terwijl die ondersteuning wel (volgens de WHO, maar ook volgens het eerder genoemde Kwaliteitskader) tot het domein van de palliatieve zorgverlening wordt gerekend. Daarnaast geldt voor de palliatieve wereld dat zij bedrijven – met name uit de uitvaartsector, maar ook uitgevers – buiten de deur houdt, veelal met het argument ‘omdat zij commercieel zijn’. Dat dat niets zegt over de inhoudelijke betrokkenheid en/of deskundigheid wil er bij de palliatievelingen maar niet in. Zo houden zij een kunstmatige scheiding in stand die niet te verdedigen valt: of werken alle palliatieve mensen als belangeloze vrijwilligers? Verdienen zij geen geld met hun baan?

Helaas is er ook een sterke geslotenheid van de palliatieve zorgbeweging richting de binnenwereld. Het is om die reden dat ik de palliatieve zorgwereld een sekte heb genoemd. Sekte in de (niet-religieuze) betekenis van het woord: een sterk van de buitenwereld afgescheiden gemeenschap, waarin men een bepaalde leer of visie uitdraagt, en waarbinnen sprake is van specifieke regels en opvattingen.

Hoewel een sekte veel waarde kan hebben voor de leden (zoals het bieden van veiligheid en duidelijkheid), zitten er vaak ook enkele kwalijke kanten aan. In de palliatieve zorgbeweging is dat zeker het geval. Ik noem twee punten, die in feite los van elkaar staan, maar ook veel met elkaar te maken hebben: de interne beslotenheid en het onvermogen om om te gaan met kritiek.

Eerst die interne beslotenheid. Al sinds een jaar of tien, vijftien is er een groepje van zo’n vijftien mannen en vrouwen dat ‘overal’ bij betrokken is als het gaat om de Nederlandse palliatieve zorg. Zij zijn bestuurder of anderszins in dienst van één van de vele palliatieve koepelorganisaties (*), hebben een belangrijke positie in een academisch ziekenhuis of universiteit en/of zitten in adviescommissies, denktanks of andere overlegorganen van het ministerie van VWS of ZonMw. Zij bepalen op hoofdlijnen alles wat er in ‘het wereldje’ gebeurt: welke onderwerpen prioriteit krijgen in de politiek, waar de vele miljoenen onderzoeksgeld naar toe gaan, hoe de subsidiestromen (moeten) lopen, welke organisatie met welke organisatie samenwerkt, et cetera. Vreemd genoeg is er een oververtegenwoordiging van artsen in dit gezelschap, terwijl palliatieve zorg bij uitstek een tak van sport is die multidisciplinair te noemen valt. Waar zijn de verpleegkundigen, de geestelijk verzorgers of de maatschappelijk werkers? Waar de ervaringsdeskundigen? Waar de vrijwilligers palliatieve terminale zorg? Waar de mantelzorgers? En nog een klein (afgeleid) puntje: waar zijn de niet-witte Nederlanders?

De mate waarin er géén ruimte blijkt te zijn voor vernieuwing (voor doorstroming vanuit de jongere generaties), draagt bij aan een sterk ‘old boys (and girls) network’, wat funest is voor daadkracht, vernieuwingsdrang en innovatieve kracht. De leden van dat network voldoen aan de kleingeestige eigenschap van vele sekteleiders, namelijk dat zij zichzelf als een elite beschouwen. Je kunt het ook de palliatieve maffia noemen. Zijzelf zullen daar waarschijnlijk om moeten lachen, maar dat tekent hun gebrek aan zelfreflectie.

Het tweede punt: het uiten en omgaan met kritiek. Kenmerk van vele sektes is dat er een (onbenoemd) verbod bestaat op het uiten van kritiek op collega-sekteleden, laat staan op ‘de leiding’, het zojuist genoemde network. In de ruim twintig jaar dat ik over het palliatieve wereldje schrijf, heb ik daarvan vele, vele voorbeelden ervaren. Netwerkcoördinatoren die een collega-netwerkcoördinator baggerwerk vinden afleveren, maar daar niets van zeggen (tegen die collega). Onderzoekers die het werk van collega’s afbranden, maar geen verbeterpunten aanreiken aan diezelfde collega’s. Maar ook commissieleden van ZonMw’s Palliantie die kritiek op het subsidiesysteem hebben, maar dat vooral voor zich houden, want als zij hun mening in het openbaar verkondigen liggen zij er voor de rest van de carrière uit (en met hen de onderzoeksgroep waaraan zij leiding geven). En dan vergeet ik nog even de IKNL-mensen die neerbuigend doen over Agora, de Fibula-mensen die IKNL’ers gebrek aan feeling met de praktijk verwijten of de AHzN-mensen die bijna-thuis-huizen niet echt serieus nemen…. Het wordt gezegd in wandelgangen, het wordt gedeeld in de veilige beslotenheid van ‘gelijkgestemden’, maar openlijk kritiek geven op elkaar doen ze niet of nauwelijks. Dat is klaarblijkelijk een doodzonde.

Pardon? Zijn we onder volwassenen?

Het zal velen niet ontgaan zijn dat ik af en toe een kritische opmerking maak over bepaalde organisaties in het palliatieve veld. Dat doe ik vanuit een sterke, persoonlijke betrokkenheid met het thema. Die kritische noten, die steevast inhoudelijk gefundeerd zijn, zijn de voorbije jaren nooit beantwoord met een verzoek tot dialoog, maar altijd met (dood)zwijgen. Is dat uit gebrek aan fatsoen? Uit onvermogen? Arrogantie wellicht? Wie het weet mag het zeggen. Het past in ieder geval wel bij het sektedenken: wie tegen de eigen beweging zondigt, wordt buitengesloten.

Ik heb ook de indruk (maar niet meer dan dat) dat het Bureau MORBidee van mijn vrouw en mij indirect onder die geuite kritiek lijdt: diverse in gang gezette samenwerkingstrajecten met palliatieve koepelorganisaties eindigden in het verleden, als puntje bij paaltje kwam, altijd met niets. Alsof de kritiek persoonlijk wordt opgevat, wat natuurlijk een vrij kinderachtige en amateuristische perceptie van kritiek is, en er daardoor geen overeenstemming meer op inhoud te vinden is. Het verklaart wellicht ook waarom er op diverse websites van palliatieve koepelorganisaties géén aandacht wordt besteed aan de producten van Bureau MORBidee, terwijl daar inhoudelijk alle redenen voor zouden zijn. Valt daaruit te concluderen dat de ego’s van de betrokkenen blijkbaar groter zijn dan het algemene belang dat zij aan de verbetering van palliatieve zorg zeggen te hechten? Wie het weet mag het zeggen.

Het moge duidelijk zijn dat de geslotenheid van een palliatieve beweging, en ook het onvermogen om met (interne of externe) kritiek om te gaan, een teken is van een stilstaande, onvolwassen beweging. Ik heb niet de illusie dat het bestaande ‘network’ daarin iets wil of kan veranderen. Het wachten is dus op natuurlijke afvloeiing (zoals pensioen). En dat houdt gelukkig geen enkele palliatieve beweging tegen.

Wie daar niet op wil wachten, hier wat aanbevelingen die ook individuele zorgverleners ter harte mogen nemen. Mocht je de mensen uit het ‘old boys (and girls) network’ tegenkomen, leg hen dit gerust voor:
– Kijk verder dan je palliatieve neus lang is, en zoek contact met sectoren die in verbinding met jouw werkveld staan: de sector ‘rouw en verlies’ bij voorbeeld, maar ook de uitvaartbranche en de wereld van de inloophuizen voor mensen met kanker en Alzheimer Cafés;
– Stop met dat onderscheid ‘commercieel versus niet-commercieel’. Dat staat het uitwisselen van zinvolle kennis en relevante samenwerkingsvormen in de weg, en draagt bij aan een zelfgekozen isolement;
– Zoek verbinding met initiatieven in de maatschappij die zich richten op thema’s als kwetsbaarheid, vergankelijkheid, sterven en dood. Denk aan (lokale/regionale afdelingen van) ouderenbonden, kerkgenootschappen, patiëntenverenigingen e.d.;
– Denk bij het rondkijken naar collega-organisaties in de palliatieve zorg wat minder in termen van ‘goed-beter-best’, maar meer in ‘anders’ en ‘aanvullend’;
– Denk inclusief, niet exclusief;
– Deel je oordelen met de personen die er vervolgens ook wat mee kunnen, hou ze niet in.

(*) Daaronder vallen bij voorbeeld Palliactief, Integraal Kankercentrum Nederland, Stichting Fibula, Stichting Agora, Stichting PaTz, VPTZ-Nederland en Associatie Hospicezorg Nederland.

N.B. – Donatiemogelijkheid

Als journalist schrijf ik over palliatieve zorg, hospicezorg en uitvaartzorg voor diverse opdrachtgevers. Maar soms zijn er ook verhalen die het verdienen geschreven te worden zonder dat daar een opdrachtgever voor te vinden is. Die publiceer ik gratis op deze website of op de website palliatievezorg.nl. Mocht je dat waarderen, of mocht je onafhankelijke journalistiek in de palliatieve zorg sowieso waarderen, overweeg dan een donatie. Je kunt zelf een bedrag invullen. Alvast dank.



Doneer € -


Het gevaar van het Kwaliteitskader Palliatieve Zorg

Na jarenlange arbeid verscheen eind 2017 het Kwaliteitskader Palliatieve Zorg. Gisteren startte het implementatietraject: de makers van het Kwaliteitskader, IKNL en Palliactief, gaan proberen de theorie naar de praktijk te brengen. Een mooi moment om het grootste gevaar van het Kwaliteitskader te benoemen.

Laat ik eerst voorop stellen dat het Kwaliteitskader natuurlijk een heel mooi document is. Voor de mensen die die 103 pagina’s nog niet gelezen hebben… In het Kwaliteitskader wordt de inhoud van palliatieve zorg als het ware ontleed: wat is palliatieve zorg eigenlijk, waar zou het in de praktijk op moeten neerkomen?

De samenstellers van het Kwaliteitskader zijn zo op acht domeinen uitgekomen. Palliatieve zorg is onder te verdelen in aandacht voor:
– het fysieke domein
– het psychische domein
– het sociale domein
– het spirituele domein
– het culturele domein
– het ethische en juridische domein
– de stervensfase
– verlies en rouw

Daaraan hebben ze nog twee algemene domeinen toegevoegd, die los staan van de inhoud van de zorg:
– kernwaarden en principes
– structuur en proces

Bij de eerste acht items geeft het Kwaliteitskader per domein aan welke richtlijnen er zoal bestaan en welke meetinstrumenten zorgverleners in de praktijk kunnen gebruiken. In het domein ‘Structuur en proces’ zijn belangrijke onderwerpen opgenomen als de markering, gezamenlijke besluitvorming, het individuele zorgplan en proactieve zorgplanning. En in het domein ‘Kernwaarden en principes’ staan de basiswaarden van goede zorg vermeld, alsmede welke houding en welk gedrag daarbij hoort.

Al met al een prachtdocument voor een ieder die palliatieve zorg verleent, of dat, als professional, van plan is te gaan doen. Een soort ‘Alles wat u altijd al wilde weten over palliatieve zorg, maar niet durfde te vragen-document.’

Maar nu de grote adder onder het gras.

Zolang er mensen ongeneeslijk ziek zijn en gaan sterven, zolang zijn de partner, de kinderen en eventuele andere familieleden de belangrijkste mensen om hen heen. Ook kunnen we de meest nabije vrienden, of soms de buren, tot de inner circle van ‘het informele zorgteam’ gaan rekenen. Zij allen staan garant voor de alledaagse zorg en ondersteuning, die, afwisselend in intensiteit, soms weken, maanden of jaren benodigd kan zijn.

Stel dat er bij een ongeneeslijk zieke patiënt een jaar tijd zit tussen diagnose en dood, hoeveel procent van die tijd ziet die zieke een dokter? Zal dat ongeveer 0,1% zijn?

Hoeveel procent van die tijd ziet de zieke een verpleegkundige of verzorgende? Zal dat ongeveer 2% zijn?

Het punt dat ik wil maken is dat het risico aanwezig is dat zo’n Kwaliteitskader Palliatieve Zorg ‘de professionals’ het idee geeft dat palliatieve zorg om de professionals draait. Dat zij de belangrijkste zorgverleners zijn.

En dat is niet zo.

Die relativering mis ik in het document, maar ik hoop wel dat die bij de implementatie ruime aandacht krijgt. Het lijkt er nu op alsof het Kwaliteitskader de palliatieve zorgverlening claimt voor professionals. Alsof de arts en de verpleegkundigen bovenin de palliatieve rangorde staan. Alsof zij de belangrijkste leveranciers van palliatieve zorg zijn, en anderen – en dan doel ik met name op de naasten en de andere mensen die de patiënt al kenden toen hij nog geen patiënt was – op een tweede plek komen.

Dat zou niet terecht zijn. Natuurlijk weet ik dat de palliatieve hulpverleners dat credo ‘De patiënt staat centraal’ hoog in het vaandel hebben staan, maar dat is een heel gevaarlijke slogan. Want wat men daarmee eigenlijk zegt is: ‘De patiënt staat centraal, in mijn systeem.’

En dat is tricky.

Want de patiënt had namelijk altijd al een systeem. Het systeem van gezin, familie, vrienden, buren, collega’s, et cetera. Daar leefde hij al vele tientallen jaren mee. En opeens is hij ernstig ziek en zou hij moeten voortleven in een ander systeem, het systeem van de gezondheidszorg? Dat is een fundamentele denkfout.

Ik hoop dat het implementatietraject van het Kwaliteitskader niet gaat bijdragen aan een verdere zelfoverschatting van de palliatieve professional.

N.B. – Donatiemogelijkheid

Als journalist schrijf ik over palliatieve zorg, hospicezorg en uitvaartzorg voor diverse opdrachtgevers. Maar soms zijn er ook verhalen die het verdienen geschreven te worden zonder dat daar een opdrachtgever voor te vinden is. Die publiceer ik gratis op deze website of op de website palliatievezorg.nl. Mocht je dat waarderen, of mocht je onafhankelijke journalistiek in de palliatieve zorg sowieso waarderen, overweeg dan een donatie. Je kunt zelf een bedrag invullen. Alvast dank.



Doneer € -