Wilt u gereanimeerd worden, vragen ze aan mijn vader

‘Mocht er tijdens uw verblijf in het ziekenhuis iets mis gaan met uw hart, wilt u dan gereanimeerd worden?’

Het is een vraag die vele honderden keren per dag gesteld wordt in de ziekenhuizen van Nederland. Door dokters aan patiënten. Maar nu is het mijn vader die antwoord op die vraag moet geven. En komt de vraag van de radiotherapeut die verantwoordelijk is voor de behandeling die mijn vader zal krijgen vanwege zijn endeldarmkanker. Pas sinds een paar weken weten we dat hij die heeft.

Voor de behandeling van zijn kanker heeft de arts vier verschillende opties aan mijn vader voorgelegd: een operatie, een langdurende radiotherapie (30 keer bestralen) met aansluitend chemotherapie, een kortdurende radiotherapie (5 keer bestralen) en afwachten.

Mijn vader, die 87 is, geeft direct resoluut aan dat die operatie voor hem geen optie is. ‘Dat wordt een te zware weg.’ Na een korte toelichting van de arts geldt dat ook voor die langdurende radiotherapie, zo geeft hij aan. Blijft over: die kortdurende therapie of niets doen.

‘Niets doen’ brengt het risico met zich mee dat de darm dichtgroeit door de tumor, zegt de arts. Met allerlei nare gevolgen. Voor mijn vader is het snel duidelijk: het wordt dus die kortdurende therapie.

Ik volg het gesprek vanaf de zijlijn, en voel trots voor m’n vader, omdat hij, zo ogenschijnlijk eenvoudig, tot een afgewogen keuze komt.

Maar nu dus die reanimatievraag. Komt hij net zo snel tot een keuze?

Ik hoef me dat maar een seconde af te vragen, want zijn antwoord komt inderdaad heel snel: ‘Nee, dat hoeft dan niet.’

Ik voel opnieuw lichte trots, want dat is eigenlijk het allerbeste antwoord. Althans: als je naar de simpele feiten kijkt.

De feiten haal ik uit een richtlijn ‘Besluitvorming over reanimatie bij kwetsbare ouderen’, die door artsen, verpleegkundigen en ethici is opgesteld. Daarin staat: ‘Publiekscampagnes leggen veel nadruk op het belang van snelle reanimatie om levens te redden. Toch is het goed te beseffen dat reanimatie niet alleen een overlevingskans biedt, maar ook kan leiden tot blijvende ernstige schade.’

Die blijvende ernstige schade die een reanimatie kan veroorzaken is misschien nog niet zo bekend bij ouderen. Denk daarbij aan geheugenproblemen of verlammingen, maar ook aan ribbreuken en longschade. In het verlengde hiervan kan een reanimatie ervoor zorgen dat iemand niet meer zelfstandig kan wonen. Met andere woorden: begin er maar niet aan, want bij slechts een beperkt percentage (5 à 10%) is er géén kans op hersenschade of andere beperkingen.

Mijn vader was niet bekend met deze richtlijn of de cijfertjes. Waarom dan toch dat resolute ‘Nee’?

Het is een combinatie van nuchterheid en levenservaring, zo blijkt. Samen te vatten in een zin die hij ook uitsprak toen hij te horen kreeg dat hij kanker had: ‘Je moet ergens aan dood gaan.’

Lieke Marsman en dat zachte kleffe bolletje boterhamworst van de Nederlandse palliatieve zorg

Dat de communicatie met ongeneeslijk zieke mensen te wensen overlaat in ziekenhuizen, maakt het recent verschenen boek van dichter/filosoof Lieke Marsman meer dan duidelijk.

Ik las het onlangs met plaatsvervangende schaamte: ‘Op een andere planeet kunnen ze me redden‘, heet het. Het boek is een optelsom van essays en dagboekfragmenten. Ze gaan over het leven van haar sinds ze weet dat ze niet meer beter zal worden. In 2018 kreeg ze de diagnose kraakbeenkanker, in 2020 werden de eerste uitzaaiingen gevonden.

Tal van voorbeelden van miscommunicatie (of ronduit lompe communicatie) met medisch specialisten haalden het boek. Ze heeft zichzelf daarin nog flink weten te beperken, zegt ze zelf. Maar er toch voor gekozen enkele voorbeelden te delen. Omdat ze weet dat ze niet de enige is die dit meemaakt.

Voorbeeld één gaat over ‘kwaliteit van leven’, en wat dat nou eigenlijk is. “Mijn palliatieve traject was nog maar een paar minuten oud toen mijn hoofdbehandelaar de woorden Kwaliteit van Leven in de mond nam, gevolgd door het advies dat ik er goed over moest nadenken of ik überhaupt nog wel behandelingen wilde ondergaan. Die zouden immers bijwerkingen met zich meebrengen en beter zou ik er niet van worden, ze konden de boel alleen een tijdje rekken. Dat vond ik een absurd gegeven, want ik voelde mij op dat moment fitter dan ooit. Het enige wat mijn kwaliteit van leven op dat moment bedreigde was het idee dat ik zou sterven zonder alles op alles gezet te hebben om dat moment uit te stellen. Sterker, het enige wat mijn kwaliteit van leven op dat moment bedreigde was het feit dat mijn behandelend arts ogenblikkelijk de handdoek in de ring leek te gooien.”

Voorbeeld twee gaat over haar wens zo lang mogelijk te willen strijden. Dat wordt niet gesnapt door de zorgverleners die zij ontmoet. Ook niet als ze bewust kiest voor een arm- en schouderamputatie. Haar behandelend arts en de chirurg die de operatie zou kunnen uitvoeren raden het haar af: ‘Dat moet je niet willen, verminkt zijn.’ Maar ik wil het, zegt ze hen. ‘Ik smeek jullie, haal die arm eraf. Wat heb ik eraan niet verminkt te zijn als ik dood ben? Hoe verminkt is een door maden aangevreten lijf?’ Dankzij haar stelligheid willen de artsen er opnieuw over nadenken. ‘Over een week hoor ik meer.’ Uiteindelijk kan de operatie toch doorgaan.

De palliatieve zorgwereld komt er overigens niet best vanaf in het boek, zeker niet als het om het terminale traject gaat. “Misschien leef ik nog twee jaar, met pech één, met geluk vier”, schrijft ze in mei 2022 in haar dagboek. “Ik mag het op mijn manier doen. Ook het sterven. Ik wil het niet, dat zachte kleffe bolletje boterhamworst van de Nederlandse palliatieve zorg. Die doorgekookte groente van ze en de boodschap: we willen dat u geen pijn meer heeft, mevrouw. Flikker op! Leven is lijden, en belangrijker: lijden is leven!”

Een uitgebreide recensie staat op deze pagina van Palliaweb.

Palliatief-verantwoorde film over mantelzorgdynamiek

Dank zij griep heb ik afgelopen week voor het eerst in m’n leven uitgebreid gebingwatcht.

En zo stuitte ik – tussen de series door – onder meer op de palliatief-verantwoorde film ‘His three daughters’. Een aanrader. En: te zien op Netflix.

Kortgezegd gaat de film over Vincent, die stervende is. In de voorafgaande maanden heeft zijn dochter Rachel voor hem gezorgd, maar nu het definitieve einde eraan lijkt te komen, trekken ook de dochters Katie en Christina bij hem in. Dus daar zitten ze dan in het New Yorkse appartement van Vincent: de drie dochters die samen voor een vloeiende, zachte landing willen zorgen. Af en toe krijgt Vincent en zijn dochters bezoek van een hospice-at-home-arts en een verpleegkundige.

Het meest fascinerende van de film (een 7,2 overigens op IMDB) zit ‘m in de dynamiek tussen die drie dochters. Rachel heeft een andere moeder dan Katie en Christina. Daarnaast denkt Rachel duidelijk anders over hoe je een goed leven invult dan haar twee halfzussen. Ook dat gegeven maakt die dynamiek extra interessant. Bovendien: het appartement is klein. Ze zitten voortdurend op elkaars lip. In zo’n hectische tijd is dat vragen om dramatiek. En die komt er.

Als je in de zorg werkt… Je zou deze film met je collega-teamleden kunnen bekijken. En je bijvoorbeeld in alle eerlijkheid kunnen afvragen welke gevoelens iedere zus bij je oproept. Katie is de – vind ik – irritante controlfreak, Christine is de spiriwiri-verantwoorde bemiddelaar en Rachel is de flamboyante outcast die het hart op de juiste plek heeft. Maar er zullen vast ook mensen zijn die Katie de redelijke vinden, Christine de zachtaardige en Rachel de weirdo.

Zoals te verwachten valt vliegen de stekeligheden – hallo oud zeer – je in de eerste helft van de film om de oren, en daar komt pas een einde aan als Katie – die al vanaf dag één druk bezig is met de tekst voor de uitvaartspeech – het aanbod doet aan Rachel om daarin mee te kijken. Vanaf dan groeien de zussen toe naar een broze eenheid.

Hoewel in de film door de hospice-at-home-arts expliciet wordt gesteld dat sterven in de praktijk bijna altijd minder romantisch en esthetisch verantwoord is dan ‘Hollywood’ doet geloven, draagt ook ‘His three daughters’ bij aan die misleiding. Het zal vast artistieke vrijheid heten, maar de manier waarop Vincents sterven via twee sporen getoond wordt…. Sorry, doe mij maar even snel een teiltje.

Wil je de trailer van de film zien? Klik dan hier.

En alvast veel kijkplezier!

Ik lig al 64 jaar naast papa in bed, maar opeens lag ik ernaast

Het is juni, we vieren de verjaardag van m’n vader. Hij is 87 geworden. We zitten buiten. Het is een klassieke zomerse zondagmiddag, met volop zon en blauwe lucht.

Sinds nog maar een paar jaar begint m’n vader te merken dat hij geen 40 meer is: ‘Ik heb deze week een strook gras gemaaid. Ik moest vier keer heen en weer met de grasmaaier. Halverwege heb ik wel even een pauze moeten nemen. En het kantjes knippen heb ik op een andere dag gedaan.’

Het is bijzonder om te merken hoe verschillend m’n ouders omgaan met de toenemende beperkingen die ouderdom met zich meebrengen. M’n vader kan in zijn reactie nog steeds verbaasd zijn, en zelfs lichtelijk in verzet gaan, terwijl m’n moeder vooral berustend is. ‘Kan er toch weinig aan veranderen’, zegt ze dan.

De verjaardag verloopt zoals alle verjaardagen. Nieuwtjes over familieleden en bekenden uit het dorp worden afgewisseld met algemene opmerkingen over het weer en de tuin.

De tuin is in deze zomerse tijd een weelderig geheel, met vele tientallen planten, struiken en bomen. Tegelijkertijd is het ook een zorgenkind, want het in stand houden van die tuin vereist nou eenmaal het nodige onderhoud.

Hoewel m’n moeder altijd ‘chef tuin’ is geweest, lijkt ze er tegenwoordig minder om te geven dan m’n vader. Ze kan er ook makkelijker afstand van nemen. Als het aan haar lag, waren ze een paar jaar geleden al verhuisd naar een appartement. ‘Maar papa wil niet.’ Inderdaad, papa wil niet, papa geniet nog met volle teugen van de vrijheid die de tuin óók biedt.

Plots kent de verjaardag een verrassing. Tussen neus en lippen door vertelt m’n moeder dat ze zo’n last heeft van de arm.

‘Hoezo?’
‘Van de val uit bed.’
‘De wát?’
‘Ja, ik lig al 64 jaar naast papa in bed, maar opeens lag ik ernaast.’
‘Wanneer?’
‘Een paar weken geleden. Middenin de nacht. Zomaar in m’n slaap.’

M’n mond valt spreekwoordelijk open. Omdat ik me afvraag waarom ze dit afgelopen weken niet eerder gezegd heeft. Maar vooral omdat ik besef dat hier iemand door het oog van de naald is gekropen. M’n ouders hebben een verhoogd bed. Daaruit vallen kan tot botbreuken leiden, en zelfs – indirect – dodelijk zijn.

‘Het was een flinke knal’, beschouwt m’n vader droogjes. ‘Ik werd er zelfs wakker van.’ De volgende dag zag hij dat m’n moeder ook het nachtkastje moet hebben geraakt. Het deurtje lag naast het kastje. ‘IKEA-kwaliteit’, constateert m’n vader.

Met – letterlijk – pijn en moeite was ze weer in bed gekomen, met hulp van m’n vader. En nu moet ze nog steeds bijkomen van de kwetsuren.

De volgende dagen was ze bang om in bed te stappen. ‘Als ik één keer in de 64 jaar uit bed val, hoeft dat niet te betekenen dat de volgende keer nog 64 jaar op zich laat wachten’, zegt m’n moeder nuchter.

‘Aan een bedhekje gedacht’, wil ik vragen. M’n vader is me echter voor. ‘We hebben gezien dat je van die hekjes aan het bed kunt laten maken. Maar dat vinden we niets.’

M’n moeder knikt bevestigend. En ik kan het me voorstellen.

Palliatief verlanglijstje 2020

In 2021 schrijf ik 25 jaar over palliatieve zorg. Ik hoef geen cadeaus. Geef me dit.

1. Alzheimer Nederland, KWF Kankerbestrijding en Hartstichting geven palliatieve zorg aandacht die recht doet aan de patiëntengroepen die ze zeggen te vertegenwoordigen (respectievelijk mensen met dementie, kanker en hartziekten).

2. Hulpverleners in de palliatieve zorg erkennen het belang van zorgverlening aan het systeem van de patiënt in plaats van alleen aan de patiënt, en hebben dus ook oog voor de betrokken mantelzorgers en/of kinderen.

3. Hulpverleners in de palliatieve zorg erkennen de gehele breedte van palliatieve zorg, zoals vastgelegd in de definitie van de WHO en het Kwaliteitskader Palliatieve Zorg, en praktiseren nazorg aan nabestaanden als structureel onderdeel van het zorgaanbod.

4. De palliatieve zorgbeweging – een optelsom van Netwerken Palliatieve Zorg, nationale organisaties en zorginstellingen – verhoogt het bewustzijn van burgers over palliatieve zorg met gerichte (voorlichtings)activiteiten.

5. Een bestuurder van een ziekenhuis zegt – in een Nieuwjaarstoespraak, in een interview met een krant, in het jaarverslag, whatever – dat het in zijn ziekenhuis goed sterven is.

6. Na tien jaar wachten komt er eindelijk een derde versie van de KNMG-richtlijn palliatieve sedatie, waarin óók uitgebreid aandacht besteed wordt aan acute palliatieve sedatie. De publicatie gaat gepaard met een gedegen implementatie- en voorlichtingscircus, dat zich enerzijds op zorgprofessionals richt en anderzijds op burgers.

7. Hoogleraren op gebied van palliatieve zorg (er zijn er een stuk of tien) ontdoen zich van hun maatschappelijke onzichtbaarheid en mengen zich actief in debatten over het levenseinde.

8. Zorgverzekeraars verplichten de instellingen/individuen waarmee zij contracten sluiten dat zij hun (vroeg)tijdige zorgplanning (of proactieve zorgplanning, of advance care planning) op orde hebben.

9. Alle hospicevoorzieningen voelen zich thuis in een nieuwe nationale organisatie voor hospicezorg.

10. De palliatieve zorgbeweging verhoogt het bewustzijn van burgers over het belang van nadenken en praten over het levenseinde, het liefst nog vóórdat er sprake is van een ongeneeslijke ziekte, hoge ouderdom en/of verhoogde kwetsbaarheid (zie ook deze blog over een doodvriendelijke samenleving).

Tien grootste palliatieve uitdagingen

Aan het einde van het jaar, is het altijd tijd voor ‘de lijstjes’. Reden om op het recente Nationaal Congres Palliatieve Zorg en via social media aan palliatieve zorgverleners te vragen wat volgens hen de grootste uitdagingen op gebied van palliatieve zorg zijn. Hier komt de meest urgente top tien:

1. Onderwijs aanbieden over palliatieve zorg aan alle verpleegkundigen en verzorgden (zowel in de reguliere opleidingen als via bijscholing)

2. Onderwijs aanbieden over palliatieve zorg aan alle artsen (zowel in de geneeskundeopleidingen als in de bijscholing)

3. Een overzichtelijke bekostigingsstructuur voor palliatieve zorg in alle settingen

4. Volledige en – voor de betrokken hulpverleners – ook bereikbare overdrachtinformatie in zowel de eerste lijn (huisarts-huisartsenpost) als tussen de eerste en tweede lijn (huisarts-ziekenhuis vice versa), zodat continuïteit van zorg in weekenden en avonduren beter gegarandeerd wordt

5. Grotere bewustwording over palliatieve patiënten in ziekenhuizen, met name als het gaat om patiënten met COPD/hartfalen en andere niet-oncologische aandoeningen

6. Grotere bewustwording van sterfelijkheid in de maatschappij, zodat advance care planning beter gedijt

7. Betere bekendheid met de breedte van het (regionale) palliatieve zorgaanbod onder zorgverleners

8. Grotere aandacht voor palliatieve zorg van patiëntenverenigingen en fondsen als KWF Kankerbestrijding, Alzheimer Nederland, Longfonds en Hartstichting

9. Beschikbaarheid ‘goede plekken om te sterven’ buiten hospices en de thuissituatie om; in ziekenhuizen, maar ook in instellingen voor mensen met een verstandelijke handicap of psychiatrische ziekte

10. Meer bekendheid onder zorgverleners en burgers over de voordelen van (vroegtijdige) palliatieve zorg, als alternatief voor ‘doorbehandelen’

Palliantie en de wonderbaarlijke hoofdrol voor academische ziekenhuizen

In de verdeling van de 51 miljoen euro die vanuit het programma Palliantie tot aan 2020 wordt besteed aan de verbetering van palliatieve zorg, is een hoofdrol weggelegd voor academische ziekenhuizen. Zij zijn immers de grootste partij in de Consortia Palliatieve Zorg, de belangrijkste subsidiekandidaten voor het programma: bij 90% van de toegewezen projecten zijn deze Consortia betrokken.

“Aan academische ziekenhuizen vragen de palliatieve zorg te verbeteren is vergelijkbaar met het consulteren van een seriemoordenaar bij de verbetering van geboortezorg”, hield ik directeur Henk Smid van ZonMw onlangs voor. Het klinkt misschien wat banaal en overdreven, maar dit is wat aan die oneliner ten grondslag ligt:

1. Een belangrijke vereiste voor goede palliatieve zorg is een intieme, kleinschalige, warme omgeving. Kom daar eens om bij academische ziekenhuizen.

2. Een andere belangrijke vereiste voor goede palliatieve zorg is een holistische kijk op de mens. Er is geen andere setting in de gezondheidszorg te vinden, waar het beperkte bio-medische model zo de boventoon voert. Vergelijk het eens met de vanzelfsprekende multidimensionele, systemische kijk die in verpleeghuizen en hospices gangbaar is.

3. Het ontstaan van palliatieve zorg vond haar oorsprong in verzet tegen overbehandeling door curatief ingestelde artsen. De goede niet te na gesproken… Het gros van de medisch specialisten is anno nu nog steeds met name curatief ingesteld. Kunnen we van hen ‘palliatief denken’ verwachten?

4. Palliatieve zorg kent belangrijke wortels in de hospicewereld, een wereld waarin gestorven wordt. Terminale zorg is nog steeds een belangrijk onderdeel van palliatieve zorg. Als academische ziekenhuizen ergens níet in uitblinken, is het de zorg voor stervenden. In kennis, in attitude en in randvoorwaarden (locatie, sfeer). Waar een academisch ziekenhuis van de nabestaanden gemiddeld een 6,4 voor de verleende zorg krijgt, krijgen hospices een 9,5.

Al met al lijkt het me een zeer gerechtigde vraag: hoe komen het ministerie van VWS en ZonMw, de eigenaren van Palliantie, op het idee die academische ziekenhuizen zo’n grote vinger in de pap te geven bij de gewenste verbeteringen op het gebied van palliatieve zorg? Welke (zorg)inhoudelijke gedachte gaat hierachter schuil? Of is er helemaal geen (zorg)inhoudelijke gedachte die dit verklaart? Is het gewoon logistieke gemakzucht?

Het is hoe dan ook een misser van de bovenste plank dat expert-instellingen in palliatieve zorgverlening – verpleeghuizen en hospices – geen leidende rol hebben in het verbeteren van palliatieve zorg.

Twintig jaar palliatieve journalistiek

In november 1996 – twintig jaar geleden – werd mijn eerste artikel over palliatieve (terminale) zorg gepubliceerd. Dat gebeurde in Verpleegkunde Nieuws, een tijdschrift voor verpleegkundigen. Het was een reportage over hospice Rozendaal, bij Arnhem. ‘Patiënten worden hier niet doodgeknuffeld’, luidde de kop: een citaat van één van de verpleegkundigen van het hospice, Jolanda van Loenhout, die thans al vele jaren bij het consultatieteam palliatieve zorg van het Rijnstate Ziekenhuis werkt.

Twintig jaar palliatieve journalistiek. Over die tijd valt van alles te zeggen. Over die honderden patiënten, verpleegkundigen, vrijwilligers en artsen die ik sprak. Over die duizenden artikelen die ik schreef, voor tientallen verschillende opdrachtgevers. Over die honderden boeken en/of medische artikelen die ik las. Over die tienduizenden tweets en posts die ik via social media voorbij zag komen. Over die tientallen congressen die ik bezocht, in binnen- en buitenland. Maar laat ik het nu – voor de afwisseling – eens hebben over die ene mens die dat allemaal beleefde: ikzelf.

Wat heeft twintig jaar palliatieve journalistiek mijzelf gebracht? Allereerst een hoop wijsheid over dat wat ik het meest interessant vind aan mensen: de manier waarop zij omgaan met ellende en narigheid. Hun copingwijze, hun veerkracht meestal, is een belangrijke inspiratie geweest voor de eigen copingvaardigheden. Ik denk daarbij onder meer aan de verhalen van ouders die hun kind hadden verloren. Maar ik denk ook aan de vele mensen die mij vertelden hoe zij dealden met hun levensbedreigende ziekte.

Ik was al nooit bang voor de dood, en evenmin voor de weg ernaar toe. De wijze mannen en (vooral) vrouwen die ik in de palliatieve sector heb ontmoet, gaven me nog meer het vertrouwen dat een stervensweg geen lijdensweg hoeft te zijn. Ook dat heeft de palliatieve journalistiek mij gebracht. Soms scroll ik door mijn contactenlijst in mijn telefoon en kan ik het lachen niet laten. De grootste deskundigen op palliatief gebied zijn met tien toetsdrukken te bereiken. Eigenlijk vooral ideaal als je wél bang voor de dood bent.

Twintig jaar palliatieve journalistiek betekende ook twintig jaar freelancer zijn. Voor geen enkel medium (krant, tijdschrift, radiozender, tv-programma) zou ik me full time met palliatieve zorg hebben mogen bezighouden. Wat dat betreft is er in twintig jaar weinig veranderd. Er is in Nederland nooit een tweede journalist bijgekomen die de specialisatie ‘palliatieve zorg’ heeft gekozen. Best jammer. Want het is – uiteraard vind ik dat – een prachtgebied om over te schrijven.

Twintig jaar palliatieve journalistiek houdt vandaag niet op. Ik houd er nog steeds rekening mee dat het onderwerp me opeens niet meer boeit. Dat de interesse ooit ophoudt. Maar zolang ik regelmatig blijf merken hoe enthousiast ik van sommige initiatieven in het palliatieve circuit word (en ook: zolang ik regelmatig blijf merken hoezeer ik me opwind over minder fraaie praktijken), ga ik door. Mogelijk zelfs tot de dood mij van palliatieve zorg scheidt. En wanneer die komt…? Dat kan iedere dag zijn.

Nee, dan liever de dood

In het voorjaar stonden we voor het eerst met onze ‘Before I Die Wall’ in een ziekenhuis. De ‘Before I Die Wall’ is een groot schoolbord (ongeveer 2 x 4 meter), waarop tientallen keren het zinnetje ‘Before I die I want to…’ staat. Mensen kunnen met krijt het zinnetje afmaken. In de praktijk worden veel ‘bucket-list’ wensen vermeld. Over verre reizen en avontuurlijke sporten, maar ook verlangens rondom persoonlijke groei of bijzondere ervaringen.

We stonden in het ziekenhuis op uitnodiging van een Netwerk Palliatieve Zorg. Er was een open dag in het ziekenhuis, en wij stonden op de informatiemarkt. Normaal gesproken staan wij op congressen en beurzen die zich uitsluitend richten op professionals, bijvoorbeeld uit het onderwijs, de gezondheidszorg, de coachingswereld of de uitvaartzorg. Om met onze Wall op zo’n open dag te staan, een open dag die met name op burgers gericht is, was nieuw voor ons. Helemaal nieuw was de locatie: een ziekenhuis. Als er immers één locatie is waar de dood ontkend wordt, dan is dat wel het ziekenhuis. We vroegen ons van te voren nog even af of zo’n Wall weerstand zou oproepen. Die bleef gelukkig uit. Sterker nog: de Wall raakte sneller gevuld dan op die congressen en beurzen die we doorgaans bezoeken. Wat ons vooral trof was het gemak waarmee kinderen een krijtje pakten en hun wensen opschreven: ‘Turnster worden’. ‘Me heele vamillie zien’. ‘Kinderarts worden.’

De open dag leidde voor ons nog tot een tweede les. In ons werk merken we regelmatig dat ‘praten over het levenseinde’, de core business van onze activiteiten, weerstand oproept. Mensen vrezen er depressief van te worden, men schuift het onderwerp graag voor zich uit en er zijn ook mensen die het er liever niet over hebben omdat men bang is dat men het dan juist over zich afroept.

Precies datzelfde rijtje gedachten kwam voorbij toen we samen door het ziekenhuis liepen. We volgden de aangeboden route langs allerlei afdelingen en kwamen te pas en te onpas allerlei soorten kanker tegen. Grote foto’s van verschillende soorten huidkanker, een video-opname van een operatie waarbij de kanker aan een prostaat werd verwijderd, resterende wonden als gevolg van een borstoperatie na borstkanker…

We vonden het maar niets. Al die verschillende kankers…. Om depressief van te worden. We merkten dat we de bewustwording over het bestaan ervan graag voor ons uitschoven.

‘Wat zou er misgegaan zijn in de levens van de mensen die het leuk vinden om dít te bekijken,’ vroegen we ons bezorgd af. Nee, geef ons die dood maar, dat vinden we een veel makkelijker onderwerp.

Wonderlijk Palliantie

Het ziet er zo gestructureerd uit, de bedoeling van Palliantie, het stimuleringsprogramma palliatieve zorg van ZonMw. Het initiatief, dat tot het jaar 2020 éénenvijftig miljoen euro te besteden heeft aan de verbetering van palliatieve zorg, gaat het geld uitgeven aan initiatieven die passen bij één van de vier geselecteerde thema’s:

-Bewustwording en cultuur
-Organisatie en Continuïteit van zorg
-Zorginnovaties en Kwaliteit
-Patiënten- en naastenparticipatie

Het ziet er, zoals gezegd, gestructureerd uit. Je zou zelfs even kunnen denken dat die vier zuilen een visie op de toekomstige palliatieve zorgverlening weergeven. Maar nu de eerste door Palliantie-geld gefinancierde initiatieven bekend zijn gemaakt, had het net zo goed een viertal andere thema’s kunnen zijn:

-Spek en Bonen
-List en Bedrog
-Water en Vuur
-Melk en Puur

Want wie de lijst initiatieven goed bekijkt, ziet dat alle, werkelijk álle hoeken en gaten van de palliatieve zorgverlening onder de vier ‘officiële’ Palliantie-thema’s te vangen zijn. Van hardcore medicijnenstudies tot algemene beschrijvingen van de zorgbehoeften van een ieniemienie subdoelgroepje van de palliatieve zorg: de dak- en thuislozen. En van Pediatric Advance Care Planning tot palliatieve spoedzorg door de huisarts. Waar is de visie? Waar is de focus? Ook de tot nu toe genoemde initiatieven voor de tweede ronde van Palliantie – de besluiten vallen eind oktober en eind november – vormen een allegaartje: van signalerings-, screenings- en ICT-tools en palliatieve mondverzorging tot zelfmanagement en hospicezorg.

Hup, daar gingen weer wat miljoenen….

Hoeveel van die 51 miljoen is er nu al op? Minstens 12 miljoen. En hoe groot is het deel dat al besteed is, maar níet ten goede van de zorg is gekomen, omdat het – direct of indirect – besteed wordt aan de structuur die voor Palliantie opgetuigd is (de consortia, de bijeenkomsten, de vergaderingen, het eten, de locaties, het secretariaat, de kwartiermakers, de gehele procedure, de referenten, de commissieleden, et cetera)? Zijn we al op de helft van de 51 miljoen? Wie het weet mag het zeggen, maar wie het weet dúrft het misschien niet te zeggen.

Binnenkort gaat de stuurgroep van het Palliantie-overkoepelende NPPZ (Nationaal Programma Palliatieve Zorg) een advies geven over de voortgang van Palliantie. De mensen in die stuurgroep NPPZ bedenken de adviezen niet zelf, want ze hebben – uit hoofde van hun dagelijkse werk – niet zo’n kijk op wat er in het veld gebeurt. Daarom hebben ze een adviesbureau gevraagd te inventariseren hoe het gaat en hoe het beter zou kunnen. Let wel, dat adviesbureau inventariseert op haar beurt bij professionals in de zorg, waardoor deze dus eigenlijk de adviseurs zijn van het adviesbureau dat die begeleidingsclub gaat adviseren die vervolgens een advies moet opstellen voor onder meer de Palliantie-commissie van ZonMw.

Wat dit adviestraject de belastingbetaler gaat kosten?

Nou moet u niet zo flauw doen. Palliantie als werkverschaffingstraject verloopt uit-ste-kend.